
De media vielen deze week op oorlogssterkte het Westfriese dorp Wognum (5300 inwoners) binnen om verslag te doen van de ondergang van de DSB-bank. Uit de reportages werd duidelijk dat niet alleen het voortbestaan van de bank bedreigd wordt maar ook dat van de bakker die broodjes verkoopt aan de werknemers van de bank. En dat van de slager die het beleg daarvoor weer aan de bakker levert. Daar blijft het niet bij: nog honderden anderen in Wognum zijn op de een of andere manier economisch afhankelijk van het Scheringa-imperium.
Kortom: een financieel eco-systeem staat op instorten. Dat werd allemaal in beeld gebracht en opgeschreven maar wat me opviel was dat één term ontbrak in het verslag van de dramatische ontwikkelingen.
Hechte gemeenschap.
Tot voor kort behoorde die term tot het standaardarsenaal als de media berichtten over rampspoed in een buitenpost. Je zag bewoners in beeld, bij voorkeur bij het verlaten van kerk of rond de stamtafel in het cafe, en de verslaggever sprak dan op gedempte toon over de ‘hechte gemeenschap’. Er klonk altijd iets in door van afgunst en belering. De journalisten die vanuit hun anonieme flatje in hun al even anonieme leasewagen naar het dorp reden leken plots jaloers op het plattelandsleven. Ze werden de fellow travellers van het Boer Zoekt Vrouw-idealisme.
Misschien was het gewoon onschuldige nostalgie. In die tijd, we spreken over twee jaar geleden want de tijdsgewrichten eindigen tegenwoordig snel, overheerste nog het gevoel dat we eigenlijk met z’n allen in een tijdmachine terug naar de jaren vijftig moesten stappen. Want ’toen was geluk nog heel gewoon’.
De economische crisis heeft aan die nostalgie in een klap een einde gemaakt. Wie nadenkt over de toekomst moet weer vooruit kijken. En daar horen geen ouderwetse opvattingen bij. Wognum zou twee jaar terug nog een ‘hechte gemeenschap’ zijn maar nu niet meer. Er is kennelijk geen behoefte meer bij de media aan de verheerlijking van nostalgische idealen.
Dat is het goede nieuws uit Wognum.
Ik ben daar in de buurt opgegroeid en ik ging in Spanbroek naar de middelbare school. De dorpen Wognum, Spanbroek, Opmeer enz. (waar steeds over bericht wordt) zijn zo langerekt en groot in oppervlakte dat er nooit over een hechte gemeenschap geproken kon worden. Ook twee jaar geleden niet.
Misschien hebben de journalisten dat dus goed gezien.
Op Google Maps ziet het er toch gewoon als een dorpskern uit. Of is dat een verkeerde weergave?
Google Maps heeft ook een Satellietfunctie. Als je die gebruikt zie je veel meer bebouwing dan op de kaart. Begrijpelijk dat Dirk over ‘langerekt’ spreekt.
Dit is trouwens bij veel van dit soort dorpen in NH het geval. Neem als voorbeeld Assendelft. Dit dorp is ruim zes kilometer lang en heeft tegenwoordig, door de vele nieuwbouw, zelfs twee ‘dorpskernen’.
Maar waar hebben we tegenwoordig nog een ‘hechte gemeenschap’ als de mensen steeds meer van elkaar vervreemden en hun eigen dingen doen. Van een hechte gemeenschap kun je waarschijnlijk in Rotjeknor ook niet spreken, tenzij je over een wijk spreekt.
Neemt niet weg dat je verhaal sterk tot de verbeelding spreekt.
Vroeger was alles beter?
Ik weet niet of het de verheerlijking van nostalgische idealen is om te spreken over ‘hechte gemeenschap’. Ooit las ik in een tijdschrift uit het begin van de vorige eeuw een onderschrift bij een wintertafereeltje over ‘het vrolijke volkje der Markers’.
Dat is geen uiting van nostalgie maar van de weigering om mensen serieus te nemen.
Een hechte gemeenschap bestaat niet meer als ze door één van de hunnen is uitgekleed.
De beelden en verslagen doen mij denken aan een spannend jongensboek. Iets in de trant van ‘De Kameleon en de gevallen bank’ of zoiets. Het trieste is natuurlijk dat het de harde werkelijkheid is, met vele gezinnen die hieronder te lijden hadden en nog meer die eronder gaan lijden. Vreemd genoeg past het in beslag nemen van de Scheringa-collectie hier ook binnen, met Gerrit Zalm als boze bankdirecteur.