
Aan de Parkkade is vrijdag het Razzia monument onthuld, ter herinnering aan een verdrongen misdaad. Op 10-11 november 1944 werden in amper twee dagen door de nazi’s in Rotterdam bijna alle jongens en mannen opgepakt en naar Duitsland afgevoerd als dwangarbeider. In totaal 52.000 mensen, 80 procent van de mannelijke bevolking. Toen ze na de bevrijding terugkeerden werd besloten dat over hun lot niet gepraat moest worden want er waren belangrijkere zaken. De stad lag in puin en moest opnieuw opgebouwd worden, om maar wat te noemen. Er werd wel over meer niet gesproken. De jodenvervolging bijvoorbeeld, daar begon pas 20 jaar later aandacht voor te komen.
Maar er zit nog iets anders aan dat verzwijgen en dat is allemaal wat minder fraai en daadkrachtig. Er werd ook niet over gesproken omdat de slachtoffers, de mannen die afgevoerd waren, nogal eens gezien werden als collaborateurs, hoe bizar dat ook mag klinken. Ze hadden weinig keus gehad. De nazi’s sloten hele straten af en haalden huis voor huis leeg. Wie tegenstribbelde liep het risico ter plekke doodgeschoten te worden. Toch waren er mensen die vonden dat de mannen te gedwee waren geweest. Dwangarbeider geweest zijn werd een schande.
De mannen die in Duitsland te werk werden gesteld doorstonden verschrikkingen. Ze moesten werken in fabrieken die door de geallieerden werden gebombardeerd. De bevrijders werden hun grootste gevaar. In het AD las ik over een man die in Dresden was beland, de stad waar de geallieerden tegen het einde van de oorlog op gruwelijke wijze wraak op namen. Hij hield er zijn hele leven een trauma aan over. Harry Mulisch schreef er Het Stenen Bruidsbed over, een boek dat grote indruk op me maakte.
Alsof dat allemaal nog niet erg genoeg is, herinnerde ik me wat historicus Hans van der Pauw zo’n 20 jaar geleden vertelde over wat er na de razzia gebeurde. Hou je vast. “Mannen die onderdoken om aan de Duitsers te ontkomen, werden op grote schaal aangegeven. Bij veel achtergeblevenen was de afgunst zo groot dat ze naar de politie stapten, wanneer ze bemerkten dat een buurman aan tewerkstelling had weten te ontsnappen. ,,Voor het politiebureau Sandelingplein stond een lange rij mensen om anderen aan te geven,” constateerde Van der Pauw droog.” Let wel, dit was in 1944, aan het einde van de oorlog, toen de nazi’s door iedereen verafschuwd werden. Oorlog haalt het ergste in mensen naar boven. Het citaat komt uit een stukje dat ik in 2005 schreef. Toen zag ik Leefbaar nog als een soort NSB’ers. Al ben ik nog steeds geen fan van de partij, inmiddels vind ik dat dat beeld onterecht is en meer kwaad doet dan goed. Versimpeling leidt zelden tot echte verduidelijking.
De razzia is een oorlogsmisdaad waar tientallen jaren niemand aan herinnerd wilde worden. We zien oorlog graag als een strijd tussen goed en kwaad, en dat is het vaak. Maar de scheidslijn loopt grilliger dan je zou denken. Voor je het weet ben je er overheen gestapt, al was dat nooit je bedoeling. Waarmee ik ook niet wil zeggen dat er een ‘grijs gebied’ is, de geliefde term om van alles goed te praten en toe te dekken.
Het monument toont een man en een vrouw die uit elkaar zijn getrokken. Een oranje vlek is de wond die diep geslagen wordt. Maar de razzia trok meer uit elkaar dan mannen en vrouwen. Zoals oorlog meer verwoest dan gebouwen en mensen.
Het kunstwerk, dat is opgericht en gefinancierd door kinderen die er pas ver na de oorlog achterkwamen wat hun vaders hadden meegemaakt, is vervaardigd door Anne Wenzel. Een Duitse kunstenares die in Rotterdam woont. Dat is misschien nog wel het mooiste en leerzaamste aspect.
PS: Iedere zondagavond verstuur ik In de Week, een zeer persoonlijke nieuwsbrief over wat ik de voorbije week zag, las, meemaakte en dacht. Abonneer je hier gratis.