Ik heb twee levens. Dat wil zeggen, ik heb het leven dat ik denk te leiden en het bestaan dat ik daadwerkelijk onderga. Dat eerstgenoemde leven bestaat er uit dat ik steeds plannen maak, to-do lijstjes aanleg, te lezen boeken die ik echt moet kennen aan de virtuele stapel toevoeg die inmiddels tot Mars reikt, schema’s opstel voor de sportschool, te bereiden recepten in mapjes stop, vakantiebestemmingen uitzoek, enzovoorts. En het aardse bestaan komt er op neer dat ik al die plannen vervolgens allemaal negeer en iets compleet anders doe, dat ook nog eens min of meer willekeurig op mijn pad komt. Beide levens leef ik tegelijkertijd.
Zo liep ik op een zondagochtend door Parijs en zag een standbeeld. Dat is in die stad geen uitzonderlijke ervaring, het is eerder een wonder een plek te treffen waar geen standbeeld te bekennen valt want Parijs baadt zich graag in haar eigen grootsheid maar met de bekende pavlov-reflex nam ik meteen een foto, zonder zelfs maar te weten wie het standbeeld voorstelde. Eenmaal weer thuis zag ik dat het ging om Diderot (1713-1784), de schrijver, filosoof en grondlegger van de encyclopedie. En ik las dat hij in 1773-1774 een journalistiek reisverslag schreef over een bezoek aan Nederland. Ruim tweehonderd jaar later, in 1994, werd het opnieuw in het Nederlands vertaald en uitgegeven.
Je begrijpt, dat moest ik meteen lezen. Via boekwinkeltjes scoorde ik een exemplaar en zo reisde ik gisteren en vandaag plots door het Holland van de 18e eeuw. Wat een avontuur.
Het verhaal van Diderot leest als een notitieboek, hij schrijft direct op wat hem opvalt, doorspekt met smakelijke anekdotes en allerlei gedetailleerde beschrijvingen bijvoorbeeld over het landsbestuur, hoe de rechtspraak werkt tot hoeveel functionarissen verdienen. Dat doet hij met de bewondering en afschuw die je nog steeds terugvindt in de video’s die expats vandaag de dag op social media maken over dit land. Van de efficiëntie tot de botheid.
Zo is Diderot onder de indruk van de kwaliteit van de huizen maar niet van de bewoners: “Wel moet worden gezegd dat een vreemdeling in die fraaie huizen niet gauw wordt toegelaten en dat de mensen die er wonen doorgaans tamelijk lomp en onverzorgd zijn. De Hollander is wel netjes op zijn huis omdat hij weet dat het anders gauw zou beschimmelen maar niet op zichzelf omdat hij weet dat hij geen last van schimmel zal krijgen.”
Het boek is bijzonder omdat er zoveel herkenbaarheid in zit en het tegelijkertijd zoveel verbazing oproept. Wat dat eerste betreft: klagen over de lompheid van de bediening in de Amsterdamse horeca deden ze dus in 1794 al volop. “In Amsterdam heb ik goed gegeten, slecht geslapen en ben ik slecht bediend.” Of neem arbeidsmigranten. Diderot constateert dat de hele samenleving er op draait. Ze doen het werk dat de Nederlanders zelf niet willen doen en zijn als arbeidskrachten goedkoper. Een goed voorbeeld daarvan is de krijgsmacht, die bestaat grotendeels uit buitenlandse huurlingen, voornamelijk Zwitsers. Ik realiseerde me nu pas voor het eerst dat daar de uitdrukking ‘geen geld, geen Zwitsers’ vandaan komt.
De arbeidsmigranten kwamen onder andere uit Duitsland: “De mensen uit Westfalen zijn in Holland wat de mensen uit de Savoye in Frankrijk zijn; alleen al in de provincie Holland zijn er ten minste dertigduizend. Ze zijn ijverig, trouw en gierig; ze leven van water en brood met een beetje spek uit hun eigen land; ze doen allerhande werkzaamheden, maar helpen vooral mee met hooien, en in een land van weidegrond valt er veel te hooien. Hun vrouwen hebben een betrekking bij de buitenhuizen waar ze in de tuin werken. Ze sparen hun kleine verdiensten op. Met lege handen hebben ze hun geboortestreek verlaten en ieder jaar sturen ze er wat geld naar toe.” Zo gaat dat nog steeds.
Maar bij bijvoorbeeld begrafenissen ging het er totaal anders aan toe. Een dode lag acht(!) dagen opgebaard en werd vervolgens begraven, waarbij alleen mannen aanwezig mochten zijn. De kist werd gedragen door de buren. Dat was hun plicht, de vergoeding die ze ervoor ontvingen was bestemd voor een goed doel. Buren die verstek lieten gaan kregen een boete. Alle aanwezigen ontvingen een herdenkingspenning van goud of zilver. Dat is toch wat anders dan koffie en een plakje cake.
De nog steeds aanwezige lak aan respect voor autoriteiten en vreemdelingen keert regelmatig terug. In dit stukje bijvoorbeeld (een gienje is een oude Engelse munt):
“Een herbergierster uit Hellevoetsluis vroeg aan George II twee gienjes voor twee eieren, waarop de koning haar vroeg: “Zijn de eieren hier zo schaars?’ ‘Nee, antwoordde zij hem, ‘maar koningen wel.
Toen Johan ıı, keurvorst van de Palts, eens langs een akker in Rijswijk kwam, stapte er een boer op hem af en terwijl hij hem zijn vork onder zijn neus hield, zei hij: ‘Wat doe jij hier, koning der Bohemen? Waarom ga je niet naar je eigen land terug?‘
De stadhouder hoorde dat er een zeer kritisch boek zou verschijnen onder de titel ‘De zinloosheid van het stadhouderschap’; hij stelde alles in het werk om te voorkomen dat het gedrukt zou worden. Daarop zeiden de rechters tegen hem: ‘Of het is niet waar en in dat geval maakt het niet uit of het boek gepubliceerd wordt; of het is wel waar en in dat geval is het goed dat men het weet?”
Diderot is vol bewondering over de handelsgeest, het is ook de enige reden dat het land kan bestaan want er is te weinig vruchtbare grond om de eigen bevolking van eten te voorzien. Veel voedsel wordt geïmporteerd.
Een fors deel van de rijkdom komt natuurlijk uit de koloniën, waar op een afgrijselijke manier werd huisgehouden. In het huidige debat wordt door degenen die moeite hebben met de werkelijkheid nogal eens gezegd dat het nu eenmaal ‘een andere tijd’ was maar dat blijkt toch minder het geval. De kolonialen hadden ook toen al een beruchte reputatie:
“Men zegt wel dat het met de rechtschapenheid gedaan is zodra men de evenaar is gepasseerd; welnu, dat geldt van alle landen het meeste voor Holland. Wat voor lieden zijn die kolonisten op Ceylon en Madagaskar! Ze bezitten niets, hetzij omdat ze arm geboren zijn, hetzij omdat ze het geld dat ze hadden erdoor hebben gejaagd. Ze hebben uit hebzucht hun vaderland verlaten en worden uit heimwee voortdurend gedreven tot alle mogelijke vormen van plundering en afpersing.
Deze lieden, die bij hun vertrek al niet deugden, worden ware roofdieren door hun verblijf op de eilanden. Net als bij ons wordt ook in Holland iemand die uit de koloniën terugkeert zonder een gigantisch vermogen te hebben opgebouwd, als een sukkel beschouwd. Niettemin moet ik toegeven dat er in die koloniën, waar alle ondeugden verbleken onder de schittering van het goud, mensen zijn die zich openlijk op een dermate oneerlijke, afschuwelijke wijze hebben verrijkt dat ze voorgoed door iedereen met de nek worden aangekeken; ik heb echter de indruk dat er achter die beschuldigingen aan hun adres veel jaloezie schuilgaat en dat menig persoon die deze gevallen van onrechtmatig verworven welvaart aan het licht brengt, niet zou hebben geaarzeld om zijn handen met bloed te bezoedelen om dezelfde buit binnen te halen.”
Net als vandaag draait in Holland van toen alles om geld: “Er is geen natie die meer profijt heeft van haar koloniën. De winst die steeds maar toeneemt, zorgt voor rijkdom en de rijkdom blijft groeien dankzij de Hollandse zuinigheid.”
Diderot rekent ook af met de mythe van de hardwerkende Nederlander. “De eerste keer dat mij verteld werd over de nonchalante houding van de Hollandse arbeider, althans in Den Haag, dacht ik dat het een fabeltje was, totdat er een keer een tegel in een keukenvloer moest worden vervangen. Ik zal u zeggen wat ik heb meegemaakt.
Ze kwamen met z’n drieën, een van hen droeg de tegel, een ander de pleisterkalk en de derde de troffel en de hamer. Eerst werden de pijpen gestopt en opgestoken, vervolgens bekeken ze het werk dat moest worden gedaan. Aangezien ze het zand waren vergeten, ging een van de drie dat halen, terwijl zijn twee makkers liggend op de grond hun pijp rookten. Toen het zand was gehaald en in een hoek gegooid, gingen ze met z’n drieën weg om een borrel te drinken.
Daarna kwamen ze weer terug en zetten ze zich aan het werk, en zo werd een ochtend besteed aan het metselen van een vloertegel. Nu is het wel zo dat dit voorval zich ten huize van een rijke edelman afspeelde en dat deze luilakken per dag werden betaald!”
De rest van de wereld mag dan geplunderd worden maar in eigen land is dat anders: “Er worden weinig misdrijven gepleegd omdat er weinig armoede heerst. Er zijn in Holland minder dieven dan elders; langs de grote wegen komt men geen rovers tegen. Hoe zouden ze dit gevaarlijke beroep moeten uitoefenen in een land dat uit louter greppels, kanalen en rivieren bestaat en gebarricadeerd is met tolpalen? In een tijdsbestek van acht jaar is er in Den Haag maar één dief berecht. In Amsterdam krijgen hooguit zes mensen per jaar de doodstraf.” Overigens kan dat ook komen omdat in bijvoorbeeld heel Amsterdam maar 20 politieagenten zijn.
Tegelijkertijd is de rechtspraak goed geregeld. Er is zelfs een sociale advocatuur waarmee armen hun zaken voor de rechter kunnen brengen. Gelijkheid is sowieso een gekoesterde cultuur. “Op grond van de burgerlijke vrijheid zijn alle inwoners gelijk. De kleine luiden mogen niet door de machthebbers onderdrukt worden, evenmin als de armen door de rijken. Door de voorrechten van de burgers in stand te houden, verdedigt de overheid zijn eigen privileges. Het is een misdrijf om een burger in zijn eigen huis op wat voor wijze dan ook geweld aan te doen. De vrijheid van meningsuiting is vrijwel onbegrensd. De leden van de magistraat zijn geliefd en gerespecteerd doordat ze voor iedereen openstaan, gemakkelijk in de omgang zijn en er geen deftige manieren op na houden.” Diderot schrijft bijvoorbeeld dat iedere tot slaaf gemaakte die het grondgebied van de Republiek betreedt – dwz Europees Nederland – automatisch zijn vrijheid herkrijgt. Maar ook: “Een kind dat zijn vader slaat wordt gestraft, maar een kind dat zijn moeder slaat, krijgt de doodstraf.”
Het fascinerende aan Nederland is dat het aan elkaar hangt van de tegenstellingen. “De bevolking is bijgelovig en heeft een afkeer van filosofie en van de vrijdenkerij op het gebied van de godsdienst, maar toch wordt er nooit iemand vervolgd. Materialisten worden er verafschuwd maar ongemoeid gelaten. Het is er moeilijker om goddeloze boeken aan de man te brengen dan in Frankrijk en men komt er minder ongelovigen tegen; bovendien zijn die meer gehaat dan bij ons.”
Het geheim van Nederland is misschien wel dat die tegenstellingen er altijd en overal zijn maar niet aangewakkerd worden. Dat is, denk ik, de befaamde tolerantie die tot op de dag van vandaag voortduurt. Anders dan veelal gedacht is het geen morele houding maar een puur praktische: “Ondanks de verscheidenheid in geloofsovertuiging vormen alle volkeren hier één burgerlijk lichaam dat door de wet wordt bij-eengehouden. De boeren op het platteland zijn bijna allemaal katholiek. Doordat de Staten-Generaal zo verstandig zijn om een tolerant beleid te voeren, stellen de katholieken zich zowel in hun woorden als in hun daden vreedzaam op.”
En de actuele problemen speelden toen ook: rijke boeren hielden de ontwikkeling en het herstel van het land tegen, net als BBB en FDF dat nu doen. Diderot schrijft dat de overheid drastisch moet ingrijpen en tot gedwongen onteigeningen over moet gaan: “De grote pachters zorgen ervoor dat de wegen onbegaanbaar worden en beletten de kleine boeren land te pachten. Ze vernielen de wegen opzettelijk en proberen te voorkomen dat ze worden hersteld zonder een geheim te maken van hun beweegredenen.”
Toen ik het uit was ik verbaasd over hoe herkenbaar het relaas van Diderot is, ook al is het tegelijkertijd totaal anders. Het deed me denken aan dat beroemde en in de politiek vaak aangehaalde motto uit de roman De Tijgerkat van Giuseppe Tomasi di Lampedusa: ‘Alles moet veranderen opdat alles blijft zoals het is.’
Denis Diderot, Over Holland : een journalistieke reis 1773-1774, vertaald door Eef Gratama, met een inleiding door Yves Benot. Uitgeverij Contact 1994.
Iedere zondagavond verstuur ik In de Week. Abonneer je hier gratis.