Alfamannetjes en rodepeperijs

De avond voelt alsof de zomer van plan is te vertrekken maar zich nog voor een laatste keer omdraait. De terrassen zitten vol, de jassen zijn nog uit en het duister is zacht donkerblauw. We lopen al keuvelend. Ik eet een yoghurtijsje met rode pepersmaak van de befaamde De IJssalon op de Meent. Het is een merkwaardige sensatie. Ik denk onderwijl aan hoe ik ooit een ijscoman was aan het strand, 16 jaar oud, wit jasje aan en in de war van alle leuke meisjes die aan mijn kar kwamen. Ik verkocht hoorntjes met vanille ijs maar omdat er maar één smaak was heette het gewoon schepijs. De hele dag schrapen in de ijsbak. Een bolletje of twee bolletjes?

Ik had toen niet kunnen bedenken dat ik ooit rode peperijs zou eten. Sterker nog, ik had je voor gek verklaard als iemand het had beweerd. Aardbeien, chocola, rumbonen-rozijnen, ok. Maar peperijs? No way.

Nu dacht ik: peperijs? Interessant. Het smaakte scherp. Ik voelde mijn ogen vochtig worden. De ijsboer had geadviseerd er een bolletje bramensorbetijs bij te doen. Om indien nodig mijn papillen af te koelen. Dat bleek een verstandige tip. Heet ijs, nooit bedacht dat dat kon. Het is heel erg lekker. Veel lekkerder dan het flauwe, om niet te zeggen smakeloze schepijs dat ik destijds verkocht.

We slenteren, praten over het leven, de politiek die druipt van de strubbelingen, over mensen die we verder niet kennen en waar we toch van alles van vinden. Maar steeds moeten we het gesprek even halt houden. Dan komt er weer een auto of motor voorbij die zoveel lawaai maakt dat we elkaar niet meer kunnen verstaan. Zwarte auto’s of motoren met mannen die iets aan het compenseren zijn. Die denken dat we onder de indruk van hen zijn. Of dat de meisjes dat zijn. Wachten tot de herrie voorbij is en dan je zin afmaken. Het is een nieuwe plaag.

Ik vertel dat ik vermoed dat het stuiptrekkingen zijn. De cultuur van de alfamannetjes is aan het wankelen. Dat weten ze, daarom manifesteren ze zich nu zo luid. Ze willen de toekomst overschreeuwen. Het is een optimistische gedachte omdat pessimisme je nu eenmaal nergens heenbrengt.

We praten over het raadsel dat er tegen de overlast zogenaamd niks te doen valt. Dat er speciale apparatuur voor aangeschaft moet worden, nieuwe regels gemaakt. Voor wat vreedzame klimaatactivisten die een rijweg blokkeren, die pas nog vijf maanden afgesloten was wegens werkzaamheden, wordt een heel leger politie op de been gebracht. Maar tegenover het geluidsgeweld dat een hele stad terroriseert zegt de politiek machteloos te staan.

Er is natuurlijk ook een simpele oplossing. Weer gewoon alle auto’s en motoren uit de stad. Maak het centrum autovrij. Dat is heel goed te doen. Kijk maar naar Parijs. Het is net als rookvrij maken, het kost even moeite maar daarna wil niemand meer terug naar de oude situatie.

Ik vertelde over een stuk dat ik een paar jaar geleden schreef waarin ik betoogde dat de coronacrisis hielp de stad autovrij te maken. Dat was natuurlijk veel te optimistisch maar het debat begint op gang te komen. Zelfs het AD, toch bij uitstek een autokrant, begint er voor te pleiten de auto terug te dringen, de stad uit.

Rotterdam durft dat niet. Of liever gezegd de VVD durft dat niet. Winkeliers en ondernemers vrezen namelijk dat klanten dan wegblijven. In de praktijk blijkt juist het tegenovergestelde het geval. Als een stadscentrum aangenaam en veilig is komen er meer mensen. Maar dat kunnen conservatieven zich gewoon niet voorstellen. Zoals conservatieven altijd bang zijn voor de betere toekomst, net als die mannetjes in de lawaaiauto’s.

Een autovrije stad is zo bezien net zo onvoorstelbaar als spicy yoghurtijs.

Lekker joh.

PS: Iedere zondagavond verstuur ik In de Week, een mild rebelse. persoonlijke nieuwsbrief over wat ik de voorbije week zag, las, meemaakte en dacht. Abonneer je hier gratis.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.