Het was in de tijd dat Rotterdam nog een rauwe stad was, waarin de straten na 18 uur verlaten waren en als de duisternis viel het ook in alle andere opzichten duister werd. Ik was jong, woonde op een kamer, kende niemand in de stad en gezien mijn beperkte sociale vaardigheden zou daar ook niet snel verandering in komen.
Dus toog ik naar bijeenkomsten waar veel mensen waren. ‘Onder de mensen begeven’ zogezegd. Meestal zonder een woord met iemand te wisselen. Zo belandde ik op een avond in literair café De Overheid op de Nieuwe Binnenweg, een pijpenla net om de hoek bij jazzcafé Dizzy. Het sociale leven speelde zich indertijd voornamelijk in cafés af.
De zaak was vol, ik bleef bij binnenkomst in de buurt van de deur staan en zag hoe achterin op een kleine verhoging de ene na de andere dichter en schrijver optrad. Soms was het stil maar vaak werd er gegrinnikt.
Er trad een dichter aan met een opvallende stem en accent, Rotterdams maar tegelijkertijd iets van ver weg. Droog droeg hij gedichten voor waar de aanwezigen om schaterden. Hij las voor over het Rotterdams als een aparte taal. Over de Engelse o die het zo kenmerkt, een klank die via de haven was geïmporteerd. Er volgde luid applaus. Hij was niet alleen erg grappig maar openbaarde ook een nieuwe wereld voor me. Zo kon je dus ook vertellen. Dat wilde ik ook gaan doen. Ik kroop die nacht in bed vervuld van nieuwe ambities.
In het tijdschrift Hard Werken vond ik later een verhandeling van hem over waarom Rotterdammers het over ‘de zout’ hebben terwijl de rest van Nederland van ‘het zout’ spreekt. Net als met ‘de stof’ en ‘het stof’. Ik knipte het uit en hing het op de wc-deur. “Me auto zit onder de stof,” is een zin die ik om onverklaarbare redenen nooit vergeten ben.
In de jaren die volgden kwam ik hem vaker tegen, we spraken af en toe wat met elkaar. Altijd over Rotterdam en vaak over Zuid. Hij was verknocht aan dat stadsdeel en het beviel hem niet als ik daar de denigrerende grapjes over maakte. Dat kwam aan want hij had de autoriteit van een schoolmeester, dat wil zeggen dat ik me veel kleiner voelde tegenover hem.
Een schrijver die Rotterdam als onderwerp had. Een stad die gedurende zijn leven veranderde van een platgebombardeerde stenen vlakte in een metropool met wolkenkrabbers en de meest diverse bevolking van het land. Historicus in een stad waar de geschiedenis het tempo van de toekomst maar amper bij kan houden. Dat is geen gemakkelijke opgaaf.
Jan Oudenaarden is nu helaas zelf geschiedenis geworden. Hij werd 81. Ik kende hem niet heel goed maar koester prettige herinneringen en vraag me af of mijn leven anders was verlopen als ik hem die avond niet had zien optreden.
Naschrift: Roland Vonk meldde via Facebook dat Jan zijn fameuze column kreeg bij Rijnmond na deelname aan onze anarchistische theatershow ZieNN in de jaren ’90. Dus mooi dat de wending wederzijds was.
PS: Iedere zondagavond verstuur ik In de Week, een zeer persoonlijke nieuwsbrief over wat ik de voorbije week zag, las, meemaakte en dacht. Abonneer je hier gratis.