Spring naar inhoud

1

Je moet niet altijd alles willen weten
De tweede kop koffie

Ik neem nog een kop koffie. Dat klinkt alsof ik er al 14 op heb maar het is de tweede vandaag. Toch twijfelde ik voordat ik de knop van de zelfzettende machine indrukte want het is vijf over twaalf en iets in me zegt me dat je ‘s middags geen koffie moet drinken. Dat je dan verkeerd bezig bent. Ik heb geen idee waarom ik dat denk. Ik zou nu kunnen gaan graven of het iets is dat ik ooit ergens heb gelezen. Want dingen die ik lees neem ik verbluffend snel over.

Water is inderdaad lekkerder met een beetje citroen, zei C. vanochtend, als reactie op mijn advies van een paar dagen terug. Godzijdank gaat niet alles snel in deze tijd.

Ja, en je valt er vanaf.

Hoe werkt dat dan?

Geen idee, dat heb ik ooit ergens gelezen. Vast op een onbetrouwbare site. Supermodellen doen het om slank te blijven.

Goh, dat jij weet wat supermodellen doen.

Ik stond er zelf ook van te kijken nu ik dat zo hoorde. En toen dacht ik aan instagram, waar door citroenwater eeuwig slank blijvende supermodellen ronddobberen als kroos in een sloot. Verslavend mooi, maar je ziet nooit meer de diepte.

Ik wil er mee stoppen, zeg ik iedere keer als ik de app afsluit. Dat is gemiddeld 17 keer per dag. Ik heb ergens gelezen dat het slecht voor je is maar dat heeft gek genoeg dan weer net zo weinig effect als de waarschuwingen op pakjes voor rokers. Ik zou eens moeten opzoeken hoe dat komt.

Instagram is de eerste app die aantoont dat je van schoonheid depressief kan worden. Die ons collectief opzadelt met het Stendhal-syndroom. Ik zou nu kunnen uitleggen wat dat is maar Google kan dat vast beter. Google kan alles beter.

Ik dacht ooit dat Google verlossing zou bieden omdat je nooit meer iets hoeft te onthouden, nu ben ik bang dat ik alles vergeet. Dat mijn hersens verpulveren. Om dat te bestrijden heb ik een abonnement genomen op de New York Times. Niet om de artikelen te lezen maar voor de kruiswoordpuzzel. De dagelijkse mini-puzzel met een stuk of tien woorden. Ik heb ooit ergens gelezen dat je daar de mentale aftakeling mee kunt bestrijden. Iedere ochtend als ik wakker word, los ik die als eerste op. Mijn doel is dat binnen 90 seconden te doen. Dat lukt me ongeveer anderhalf keer per week. M’n record is net onder de minuut. Ik dacht dat het goed was tot Google me op mensen wees die er 14 seconden over doen. Een mens moet ook niet alles willen weten, dat is geloof ik het adagium van deze tijd.

De tweede kop koffie dronk ik niet helemaal op want die werd koud omdat ik dit begon op te schrijven. Dat deed ik omdat ik ooit ergens las dat je ingevingen meteen moet noteren. Natuurlijk weet ik niet meer waar ik dat las. Een Google voor mn eigen hoofd, dat is wat ik nodig heb.

2


Ik liep met vriend G. door de stad. G. is iemand die alles weet en iedereen kent. Dit zeg ik zonder overdrijven. Toen we later op een terrasje plaatsnamen en ik me weer probeerde te bezatten met 0,0 bier - dat gaat me ooit lukken, ik kan immers ook high worden van poffertjes - werd ons gesprek voortdurend onderbroken door passanten die hem kwamen begroeten. Een boks, een handdruk, een klap op de schouder of, in het geval van vrouwen een, twee, drie wangkussen. 

Drie. Laatst liep ik ook over straat - ja, ik haal echt alles uit het leven - en passeerde ik vier mensen die kennelijk van elders waren en elkaar kussend begroetten of afscheid namen. “Drie keer, we zijn nu Nederlanders”, zei de een met een mooi buitenlands accent tegen de anderen. Ze lachten al hun tanden bloot. Drie zoenen, er zijn slechtere vormen van nationalisme denkbaar.

Maar goed, daar zat ik dus met G. en de serveerster die hem ook al met drie zoenen had begroet, kwam het flesje 0.0 brengen. Ik vind het een mooie benaming, al spreek je het uit als nul punt nul op z’n Engels in plaats van nul komma nul, maar gek genoeg wel weer in het Nederlands. Ik zou niet eens weten hoe je het op z’n Engels uitspreekt. Zero point zero? Nil dot nil? Het is ook zo mooi overbodig, die als punt vermomde komma met die nul er achter. Ik bedoel hoezo die tweede nul, het is immers gewoon nul? Maar dat durft de brouwer niet te zeggen want dan zie je het probleem: Heineken Zero. Je denkt gelijk dat het cola is. Of misschien heeft Coca Cola zonder dat we het weten wel patent genomen op de zero. Ik dwaal weer af.

Ik liep dus met G. door de stad, nog voordat we op een terrasje plaatsnamen waar de halve stad hem kwam begroeten. We passeerden een café dat zo verscholen lag dat het me nooit eerder was opgevallen. En ik was kennelijk niet de enige want de tent was compleet verlaten. “Kijk nou”, zei ik spottend in een poging de cameraderiesfeer te scheppen waar mannen aan hechten als ze samen optrekken, “ben je daar wel eens binnen geweest?” Terwijl ik bij mezelf dacht never nooit niet.

Ik had het natuurlijk kunnen weten. “Jazeker. Heel bijzonder. Dit is echt een prachttent. De eigenaar verkoopt koffie langs de marktkramen, dat is eigenlijk zijn business.” Voor de gevel stonden inderdaad van die grote glimmende koffieketels op straat, klaar om schoongemaakt te worden. Er kwam iemand naar buiten lopen die G. begroette alsof het een familielid was dat hij na 40 jaar weer zag. Een kort praatje en weer verder. Dat is het knappe aan G., hij kan gesprekken voeren die niet langer dan anderhalve minuut duren en toch voelen alsof het een echt gesprek is. Ik daarentegen weet of durf in dat soort gevallen niets te zeggen. Alles wat ik bedenk is stom en ik heb mezelf verboden om over het weer te beginnen omdat ik dat zelfs vaak nog verpest.
“Koud hè?”
“Nou nee, er is voor vanmiddag 23 graden voorspeld.”
En als ik wel wat durf te zeggen dan ben ik niet meer te stoppen en ratel ik overmoedig door tot mensen zich na een kwartier ongemakkelijk uit de voeten maken. 

Dus het was een bijzondere zaak, die tent waarvan ik dacht dat het de meest mislukte horecagelegenheid van Rotterdam is. “Weet je,” zei G. “dat dit de zaak is met de hoogste omzet Jägermeister van heel Nederland? Echt waar.” Natuurlijk wist ik dat niet, hoe zou ik dat moeten weten? Ik zag dat op alle tafeltjes op het terras het Jägermeister-logo prijkte, het hert met een Hubertus-kruis tussen zijn gewei. Ik moest denken aan het Hubertus-slot op de Hoge Veluwe waar ik ooit een rondleiding kreeg die ik iedereen kan aanraden. De gids vertelde smakelijke details over de ruzies tussen Hélène Kröller-Müller en de architecten, gevechten op leven en dood over de kleinste details. Normaal gesproken zou ik daar nu tegen G. over zijn gaan uitwijden, zoals mannen altijd maar een enkel haakje nodig hebben om hun encyclopedische kennis over je uit te storten, maar ik was nog te zeer verward door zijn opmerking en kon niet meer bedenken waar die ruzies ook alweer over gingen. “Jägermeister? Maar er is toch niemand die dat drinkt?” Hij keek me aan en knipoogde. “Iedere horecazaak heeft het in huis.”

Verdomd. Dat is waar. Het staat altijd overal. Maar ik heb nog nooit iemand een Jägermeister horen bestellen. Sterker nog, ik heb zelfs nog nooit iemand het zien drinken. Op soms een alcoholist op straat na. Onmiddellijk werd ik overvallen door een tsunami aan onzekerheid. Misschien was ik wel de enige die onbekend is met de geneugten van Jägermeister. Misschien was het sinds kort wel de hipste drank aller tijden. Misschien zei daarom nooit iemand iets tegen me op feestjes en avonden uit: omdat ik een Jägermeister nono ben.

Ik weet niet eens of ik eigenlijk wel Jägermeister kan drinken, als bewust vegetariër. Zal je net zien, koop je een fles, blijken het de grote sponsors van de jachtindustrie. Hoe kom ik daarachter? Wacht, moet ik dat wel weten? Wanneer wil ik dan Jägermeister gaan drinken? Lijkt me iets dat kan wachten tot het bejaardenhuis.

Een wijs man zei ooit dat hoe meer je weet hoe meer je je bewust wordt van het feit dat je weinig weet. Dat werd weer even bewezen. Nee, natuurlijk weet ik niet meer wie dat gezegd heeft. Ik zou het kunnen Googlen. Ja, en dan? Ga ik het dan onthouden? Kleine kans. Waarom zou ik het onthouden? Google weet het toch? Net als dat ik geen telefoonnummers meer weet. Verdomd. Had ik niet altijd beweerd dat de kennissamenleving zou bestaan uit mensen die niks weten? Nooit gedacht dat ik daar zelf bij zou gaan horen. Ik vroeg me ineens af hoe het straks moet als niemand überhaupt nog iets weet. Gaan we dan massaal op verjaardagen wanhopig zitten Googlen om gespreksonderwerpen te vinden? Ik wilde er iets over tegen G. zeggen maar die liep net weer een bekende tegen het lijf.

Dat van die Jägermeister moest ik in ieder geval onthouden. Voor als er een stilte valt op de volgende verjaardag. “Ik weet een café in Rotterdam...” Verdorie, hoe heette het ook alweer?