Spring naar inhoud

De kracht van Twitter heeft zich weer eens getoond. Zoals ik in m’n vorige post schreef zag ik in een film een portretfoto die ik herkende, in de zin van ‘hé, die heb ik wel eens eerder gezien’, zonder verder een idee te hebben van hoe of wat. Omdat het een thriller betrof die vol zit met verborgen boodschappen en geintjes - easter eggs - wilde ik natuurlijk weten wat die foto dan voorstelde. De thriller gaat over een speurtocht en het voelde of ik er zo zelf aan mee kon doen.

Waar kende ik die foto van? Ik groef in mijn geheugen, tevergeefs. Ik googelde me een slag in de rondte maar ook dat leverde niets op. Was het wel een easter egg of vergiste ik me? Dat laatste leek me sterk. In een film die zo gevuld is met subtiele symboliek belandt een curieuze portretfoto niet toevallig boven het bed van de hoofdrolspelers.

Ik vroeg na enige aarzeling om hulp via Twitter, het medium dat ik in 2007 leerde kennen als een instrument om mensen te enthousiasmeren en vrienden te maken maar dat binnen een paar jaar veranderde in een monster. Onder die laag van haat, venijn en de vrijwel onbedwingbare neiging jezelf te profileren ten koste van anderen, schuilen toch nog steeds de restanten van die aardige kanten.

Twitteraars zagen de foto, gingen op zoek en vonden binnen de kortste keren wat mijzelf niet lukte. Via Bing nog wel. 

De man op de foto blijkt Mauro de Mauro, een Italiaanse journalist met een even gruwelijke als fascinerende geschiedenis die zo uit een roman van WF Hermans lijkt weggelopen. Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij een overtuigd fascist. Hij maakte jacht op verzetsstrijders, werd beschuldigd van betrokkenheid bij oorlogsmisdaden, werd na de bevrijding gearresteerd, ontsnapte en werd uiteindelijk van rechtsvervolging ontslagen. Hij kwam tot inkeer, verhuisde naar Sicilië en werd journalist voor linkse kranten. In die functie opende hij de jacht op de mafia en de banden tussen de georganiseerde misdaad en de politiek. Zijn werk werd bekroond met een vooraanstaande journalistieke prijs.

Hij onderzocht ook de mysterieuze dood van een topman van de staatsoliemaatschappij ENI, een oud-verzetsstrijder die de macht van Amerikaanse oliegiganten wilde breken. Mauro de Mauro vermoedde, net als veel anderen, een complot. Mogelijke betrokkenen: de mafia, de inlichtingendienst CIA en de extreemrechtse Franse paramilitaire organisatie OAS. 

De befaamde Italiaanse regisseur Francesco Rosi besloot er een film over te maken en Mauro de Mauro werkte aan het script. Terwijl hij daarmee bezig was, werd hij in september 1970 ontvoerd en is er ondanks een intensieve speurtocht door duizenden agenten, nooit meer iets van hem vernomen.

De VPRO zond de film 'De Zaak Mattei' in 1978 uit. Hier kun je lezen wat de Leeuwarder Courant er destijds over schreef.

Ik kan slechts gissen waarom het portret van Mauro de Mauro in The Burnt Orange Heresy te zien is. De thriller gaat onder meer over de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog, verdwijningen en leugens. Wat misschien ook meespeelt is dat de regisseur de thriller aanvankelijk in begin jaren ‘70 wilde laten afspelen. The Burnt Orange Heresy is gebaseerd op het gelijknamige boek uit 1971 van Charles Willeford, een gerenommeerd misdaadauteur waar onder anderen Quentin Tarantino zich door heeft laten inspireren. Precies de tijd dat Mauro de Mauro verdween. Er was echter te weinig geld beschikbaar om de hele film naar dat tijdperk te stylen. Het resultaat is dat de thriller in iedere tijd had kunnen spelen, al wordt er wel in het tempo van de jaren '70 in gerookt. Bij dat laatste meen ik altijd de gulle sponsorhand van de tabaksindustrie te zien. Film is een belangrijk middel om nieuwe verslaafden te kweken.

Een andere vraag die blijft hangen kan ik alleen zelf oplossen. Waar ken ik het portret van? Wellicht heb ik het in Italië gezien. Ik haalde de afgelopen dagen talloze vakanties terug uit mijn herinneringen. Bijvoorbeeld die aan Sicilië. Het verraste me destijds hoezeer je de aanwezigheid van de maffia kunt voelen op dat eiland. Alsof er een deken over het land ligt.

Helaas, het portret dook niet op bij deze mijmeringen maar het was prettig terug te denken aan al die ervaringen, die anders onaangeroerd in de magazijnen van je hersens opgeslagen blijven liggen. Zo heeft The Burnt Orange Heresy al meer met me gedaan dan ik ooit tevoren kon bevroeden. En ben ik blij dat ik nog steeds op Twitter zit.

1

Je moet niet altijd alles willen weten
De tweede kop koffie

Ik neem nog een kop koffie. Dat klinkt alsof ik er al 14 op heb maar het is de tweede vandaag. Toch twijfelde ik voordat ik de knop van de zelfzettende machine indrukte want het is vijf over twaalf en iets in me zegt me dat je ‘s middags geen koffie moet drinken. Dat je dan verkeerd bezig bent. Ik heb geen idee waarom ik dat denk. Ik zou nu kunnen gaan graven of het iets is dat ik ooit ergens heb gelezen. Want dingen die ik lees neem ik verbluffend snel over.

Water is inderdaad lekkerder met een beetje citroen, zei C. vanochtend, als reactie op mijn advies van een paar dagen terug. Godzijdank gaat niet alles snel in deze tijd.

Ja, en je valt er vanaf.

Hoe werkt dat dan?

Geen idee, dat heb ik ooit ergens gelezen. Vast op een onbetrouwbare site. Supermodellen doen het om slank te blijven.

Goh, dat jij weet wat supermodellen doen.

Ik stond er zelf ook van te kijken nu ik dat zo hoorde. En toen dacht ik aan instagram, waar door citroenwater eeuwig slank blijvende supermodellen ronddobberen als kroos in een sloot. Verslavend mooi, maar je ziet nooit meer de diepte.

Ik wil er mee stoppen, zeg ik iedere keer als ik de app afsluit. Dat is gemiddeld 17 keer per dag. Ik heb ergens gelezen dat het slecht voor je is maar dat heeft gek genoeg dan weer net zo weinig effect als de waarschuwingen op pakjes voor rokers. Ik zou eens moeten opzoeken hoe dat komt.

Instagram is de eerste app die aantoont dat je van schoonheid depressief kan worden. Die ons collectief opzadelt met het Stendhal-syndroom. Ik zou nu kunnen uitleggen wat dat is maar Google kan dat vast beter. Google kan alles beter.

Ik dacht ooit dat Google verlossing zou bieden omdat je nooit meer iets hoeft te onthouden, nu ben ik bang dat ik alles vergeet. Dat mijn hersens verpulveren. Om dat te bestrijden heb ik een abonnement genomen op de New York Times. Niet om de artikelen te lezen maar voor de kruiswoordpuzzel. De dagelijkse mini-puzzel met een stuk of tien woorden. Ik heb ooit ergens gelezen dat je daar de mentale aftakeling mee kunt bestrijden. Iedere ochtend als ik wakker word, los ik die als eerste op. Mijn doel is dat binnen 90 seconden te doen. Dat lukt me ongeveer anderhalf keer per week. M’n record is net onder de minuut. Ik dacht dat het goed was tot Google me op mensen wees die er 14 seconden over doen. Een mens moet ook niet alles willen weten, dat is geloof ik het adagium van deze tijd.

De tweede kop koffie dronk ik niet helemaal op want die werd koud omdat ik dit begon op te schrijven. Dat deed ik omdat ik ooit ergens las dat je ingevingen meteen moet noteren. Natuurlijk weet ik niet meer waar ik dat las. Een Google voor mn eigen hoofd, dat is wat ik nodig heb.

Rennen over het strand, op blote voeten, dat had ik ook nog nooit gedaan. Ja natuurlijk wel sprintjes, hard naar de zee rennen en dan terugdeinzen voor de eerste golf alsof er een stoplicht op rood springt. Maar verder niet. Nu rende ik kilometers.

De eerste honderden meters dacht ik aan scherpe schelpen die door mijn voetzolen zouden dringen. Ik zag de bloederige, pijnlijke resultaten al voor me. Vreemd, want ik heb een enorme hekel aan beelden van bloed en wonden. Ze doen bijna pijn. Om de een of andere reden duiken ze regelmatig op in mijn verbeelding. Terwijl je zou denken dat mijn hersens het nu wel afgeleerd zouden hebben me zo te kwellen, dat de wilskracht die me zover krijgt dat ik kilometers over het strand ren ook wel in staat zou zijn dergelijke beelden te onderdrukken, diep te begraven. Ik moet ze tegenhouden. Ik zie weer mijn voet tussen de spaken van de rijdende fiets komen, ik voel een stuk scherp stuk hout mijn schedel binnendringen, een vinger achterblijven op de deurlijst terwijl de deur dichtslaat. Weg, weg. Ze gaan nooit weg, net zo min als de littekens.

Maar de schelpen snijden niet. Ze voelen als kiezels die meegeven. Het voelt licht, alsof ik minder weeg. De meegevende grond vertraagt, ik ren langzamer dan anders maar het voelt sneller, vrijer. Het idee dat er geen einde is, geen rondje, geen finish. Dat ik almaar door zou kunnen blijven rennen langs de kust, naar Knokke, Calais, Brest, Bordeaux, Bilbao, Santiago de Compostela. Zou iemand daar ooit op pelgrimstocht naar toe zijn gerend? Tweeduizend kilometer? Vast wel. Er zijn lui die iedere dag een marathon rennen. Weer zoiets dat ik nooit zal kunnen.

Als ik ga rennen gebeuren er de eerste tien minuten twee dingen. Mijn lichaam begint al na een minuut te protesteren, doet alsof het zwaar lijdt, als een kind bij de kassa dat geen snoep krijgt probeert het me te overtuigen dat ik rechtsomkeert moet maken. Terug naar de sofa. En mijn geest explodeert. Ik moet mijn administratie nog doen. Heb ik nog wel tomaten in huis voor de spaghetti? Wat als ik straks dood neerval? Op dat feestje zes weken geleden had ik die opmerking niet tegen X moeten maken. Luister ik wel naar de juiste muziek? Hoe ver ga ik lopen? Vijf kilometer? Dat doe ik altijd. Meer? Dan hou ik het misschien niet vol. Na anderhalve, twee kilometer keert de rust terug en ontstaat er een lege helderheid. 

Na 17 minuten langs de vloedlijn keer ik om. Waar vandaan ben ik vertrokken, die huisjes daar in de verte, of nog verder? Ik kijk naar het zand. Hondenpoten, paardenhoeven, kindervoetjes, maar nergens mijn voetzolen. Alsof ik geen sporen heb achtergelaten, alsof ik niet ren maar zweef boven de grond.

Geen sporen. Ik bedenk dat ik voor het eerst in jaren zonder smartfoon ren. Dat het betekent dat niemand weet ik waar ik ben. En met niemand bedoel ik dan niet zij die mij lief zijn maar de mensen achter de schermen van Google, Apple, T-mobile, Nike, TomTom en wie weet hoeveel nog meer. Ze weten altijd precies waar ik ben en ben geweest. Ook binnen gebouwen. Hoe vaak ik naar de wc ga en hoe lang. Hoe lang ik slaap. Ze weten dat ik nu op de bank lig dit op te schrijven. Mijn leven is een fel verlicht appartement zonder gordijnen.

Ze weten zelfs wat ik ga doen voordat ik het gedaan heb. Als ik ‘s ochtends voor het wegrijden de routeplanner open om de verkeersdrukte te checken staat m’n kantoorbestemming al ingevuld. Een soort vooruitgeschreven dagboek. Ze hebben meer zicht op mijn leven dan ikzelf. Facebook weet beter hoe het met je relatie is gesteld dan jijzelf, beweerde ik jaren geleden. Ik begrijp niet waarom ik er toen niet meteen mee gestopt ben. Ik stop met zoveel. Roken, drinken, snoepen, vleeseten.

Nog steeds zie ik nergens mijn eigen voetafdrukken terug in het zand. Alsof ik er nooit geweest ben. Alleen de mensen die ik passeerde weten dat ik hier was. En zij weten niet wie ik ben. Dus dat doet er niet toe. Het voelt enorm vrij. Als ik nu van de aardbodem verdwijn en de politie na lang wachten een onderzoek begint zal een enkeling misschien nog een signalement herkennen. Man, rennend, slechts gekleed in sportbroek. Nu ik er zo over nadenk klinkt dat best bizar. Als het begin van een apocalyptische film. Het is tekenend dat een gevoel van ultieme vrijheid meteen de associatie van een totale ondergang oproept.

Ik probeer me een leven zonder smartfoon voor te stellen. Zonder sporen, een leven als het zand onder mijn voeten dat zich herstelt na iedere stap. We zijn geneigd het leven, de tijd, als een lijn voor te stellen maar misschien zijn het wel korrels, gebeurtenissen die tegen elkaar aanschurken en zich steeds anders vormen. Dataclouds denk ik meteen. Leven in de cloud, luidde het adagium tien jaar terug. Nu is het leven een cloud.

Het lukt niet. Zonder smartphone lijkt er geen leven meer mogelijk. Ik zou niemand meer kennen. Mijn dagen zouden leeg zijn. Hoe zou ik nog iets kunnen weten?

5,5 kilometer zegt het horloge. Ik stop en wandel verder naar waar ik mijn rugzak met al mijn spullen heb achtergelaten. Straks geeft het horloge de gegevens door aan Apple, Google en al die andere datarovers. Hoe lang ik heb gerend en hoe ver. Maar niet waar precies want het horloge doet niet aan plaatsbepaling. Ik stel me het gat in mijn datawolk voor. Een vlek in de verzameling datakorreltjes. Een litteken dat nooit verdwijnt.

Koloniaal leest de krant
Screenshot Buffalo Boys

Je ziet niet vaak een buitenlandse film waarin Nederlanders de slechteriken zijn maar Buffalo Boys laat er geen misverstand over bestaan. De debuutfilm van Mike Wiluan is een Indonesische western die speelt in de 19e eeuw. Ja, dat lees je goed: Indonesische western. Het is weer eens wat anders, geen spaghettiwestern maar een bami-western.

Twee in het Wilde Westen opgegroeide Indonesische mannen keren terug naar hun geboorteland en zien hoe gruwelijk de Nederlandse kolonialen daar huishouden. De bruutste misdadiger is ene Van Trach, gespeeld door Reinout Bussemaker. Als kijker realiseer je je ineens hoe het moet zijn om als naoorlogse Duitser naar films over de Tweede Wereldoorlog te kijken. Je begrijpt, de mannen kunnen de misdaden tegen hun volk niet over hun kant laten gaan. Ook al leert een wijze vrouw hen dat vergeving beter is dan wraak.

Buffalo Boys wordt wel vergeleken Django Unchained. Dat is naar mijn mening een te groot compliment, al heb ik de film van Tarantino nooit gezien. Niettemin is Buffalo Boys knap gemaakt, met vechtscenes waarin Amerikaans vuurwapengeweld wordt gemengd met Oosterse vechtsport. Het bloed vloeit rijkelijk. De gruwelijkheden laten weinig aan de fantasie over. Even lijkt het zelfs of de film een feministisch trekje krijgt maar die belofte wordt helaas niet waargemaakt.

Verder veel curiosa, zoals dat de kolonialen Engels spreken - White Only, zegt het bord naast de deur van de Indische saloon - maar wel een Nederlandse krant lezen. Die dan weer opvallende taalfouten bevat. ‘Opstandelingen zouden veroordeeld dood’ zie je in een flits staan. Met dank aan Google Translate vermoedelijk.

Google leert ook dat er in de 18e eeuw ergens een baron Van Trach leefde maar dat is vast toeval want de regisseur stelt nadrukkelijk dat het verhaal bij elkaar is verzonnen. Al is het helaas geen verzinsel dat Nederlandse kolonialen als beesten tekeer zijn gegaan. Dat het er in werkelijkheid wat minder Game of Thrones-achtig aan toe ging, doet daar niets aan af.

Buffalo Boys is geen meesterwerk maar biedt prima vermaak en is zeker het kijken waard. De film, een Indonesische-Singaporese productie, was de officiële inzending van Singapore voor de Oscars van 2019. Ik huurde de film via de Amerikaanse iTunes-store (ooit geregeld via deze methode) en heb geen idee wanneer die in Nederland beschikbaar is. Ik hoop eigenlijk dat hij hier in de bioscoop gaat draaien. Zou waarschijnlijk ook goed zijn voor de discussie over het koloniale verleden.