Categoriearchief: Rotterdam

Veerhuis

Dit is het Veerhuis in Schiemond. Een huis gebouwd in 1917 naar een ontwerp van H.A.J. Baanders die ook Heijplaat tekende. Dat is een wijk annex dorp aan de overkant van de rivier waar de scheepswerf RDM gevestigd is. Het huis heeft dezelfde stijl als het dorp op de andere oever maar valt aan deze kant wat uit de toon. Het staat alleen, een weeshuis, verstoken van alle familie.

Foto Gemeentearchief 1949

In de 20e eeuw trokken dagelijks honderden arbeiders met de veerdienst de rivier over. Tot er geen schepen meer gebouwd werden. Het veerhuis raakte in verval en dreigde gesloopt te worden maar dat wisten buurtbewoners te voorkomen. Nu wacht het op restauratie. Die liep wat vertraging op want er woonde een beschermde vleermuis. Een vleermuis in het veerhuis, de wereld rijmt vanzelf.

Het moet uiteindelijk een schrijvershuis worden. Waar schrijvers zich terug kunnen trekken, dagenlang staren naar het stromende water tot er woorden beginnen te vloeien.

Misschien moet de eerste schrijver het pand betrekken voordat de restauratie begint. Levert vast een mooi horrorverhaal op. Bijvoorbeeld over een huis dat ontsnapte uit een dorp, de rivier overzwom en daar gezelschap kreeg van een vampiervleermuis die om niet op te vallen overdag in een schrijver veranderde maar zo gauw de avond viel geduldig wachtte op voorbijgangers die even stilhielden om een foto te maken. Net lang genoeg om de tanden in het vlees te kunnen zetten.

Bloem

Gisteravond, koud en nat, zag ik de bloem staan in het veld. Alleen, zoals je alleen staat bij een bushalte laat op de avond en de twijfel of de laatste bus nog komt je begint te bekruipen. Misschien was ik melancholisch omdat ik de stad binnenreed via de Van Brienenoordbrug en de skyline in het donker dan altijd oogt als een gigantische loungebar met al die veelbelovende zachte lichtjes van huizen, kantoren, winkels. Ze roepen verlangen op zonder dat duidelijk is waarnaar.

Ik stond stil voor het stoplicht beneden aan de afslag na de brug, het Kralingse plein, dat ietwat unheimische portiek van de stad. De tijd tikte weg. Naast me een Belgische auto met een man achter het stuur. Negen van de tien keer zit er een man achter het stuur. Is je dat wel eens opgevallen? Ik neem me altijd voor eens echt onderzoek te doen en te turven hoe vaak er een man of vrouw achter het stuur zit, maar dat komt er nooit van. Of nou ja, één keer heb ik het wel gedaan. Tijdens een autorit naar Spanje, lang geleden, maar toen telde ik dat alleen bij auto’s met caravans. Het patriarchaat op vakantie. Saoedi-Arabië vermomd als Zweden. Het wordt vrouwen niet verboden auto te rijden, ze doen het alleen niet. Rara. 

Zo vloeien mijn gedachten als ik bij een stoplicht sta.

En toen keek ik de andere kant uit. Door het zijraam. En zag ik de eenzame bloem, bloeiend als een daad van verzet tegen de herfst. Of gewoon verdwaald. Daar was ik niet over uit. Tedere kracht of krachtige tederheid?

Ik realiseerde me dat ik niet wist wat voor bloem het was en voelde mezelf tekort schieten. Waarom zou ik mannen en vrouwen achter het stuur gaan tellen als ik niet eens weet hoe bloemen heten? Kennis verrijkt maar kennis kan ook verdringen. Als je de ene kennis vergaart, negeer je de ander. Je leest nu dit, terwijl je ook een mooi gedicht had kunnen lezen. 

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,  
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,  
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand  
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.  
Het leven houdt zijn wonderen verborgen  
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,  
Verregend, op een miezerigen morgen,  
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

Het verkeerslicht ging op groen. De Belg trok op. Ik volgde. We zijn kuddes zonder weides.

Ik stapte in een LEV om door de stad te crossen…

Ik kan er ook niks aan doen maar de nieuwe elektrokarretjes die vorige week in de stad verschenen heten LEV. De naam is net zo klein en lelijk als de wagentjes zelf. En raar ook want LEV staat namelijk officieel voor low emission vehicle maar de LEV is een ZEV, een zero emission vehicle, want elektrisch. Het is alsof je een strenge veganist flexitariër noemt. Nou ja, je snapt nu wel waar dit verhaal heengaat, per LEV.

Ze ogen als cartoonkarakters die de eindmontage van Cars 4 niet hebben gehaald wegens te schadelijk voor de tere kinderziel. Een soort rijdende kliko’s. Zwart, bonkig en ook anderszins onaantrekkelijk. Behalve dan dat je ze met een app kunt huren en er dan mee door de stad kunt crossen. Dus dat ging ik proberen.

Dat gaat niet zomaar. Gelukkig had ik me al eerder voorbereid op de dag die ik wist dat zou komen. App installeren, rijbewijs uploaden, creditcardgegevens inleveren en nadat ze dat allemaal gecontrolnacheckt hadden en ik leerde dat “you should receive a validation email within a few minutes” betekent “de volgende dag”, was ik er klaar voor. Dat wil zeggen als ik er een kon vinden want er zijn er nog maar 30 van die LEVs. Dat worden er volgende maand 120. Alsof de straten nog niet voldoende vervuild zijn.

Ik zag er zondag twee geparkeerd staan op de Witte de Withstraat, naast elkaar in een parkeervak, dus ik aarzelde geen moment, haalde met een vloeiende beweging mijn phone uit mn broekzak, klikte de app open en drukte op reserveer. De app zei me dat ze de auto wakker gingen maken en dat ik daarna op ontgrendel kon drukken. Hoewel ik een negatieve grondhouding heb tegenover alles wat nieuw is – of oud – nam me dit wel weer voor de lelijke LEV in. Een karretje dat een siësta houdt, dat heeft iets moois.

Zonder me verder ooit verdiept te hebben in hoe het werkt of wat je er mee mag, opende ik de deur van het zojuist ontwaakte autootje. Ik gokte dat je er niet mee op het fietspad mag rijden. En ook niet op de snelweg. Wat kon er verder dan nog misgaan?

Ik kroop in de auto die qua instapcomfort voelt als een maancapsule dus had voor wat betreft futuristische ervaring meteen al mijn Neil Armstrong-momentje binnen. Maar werd het een small step of een giant leap?

De auto begon tegen me te praten. In het Engels. Wacht, wacht wat zei ze? Helaas, gemist. Iets met starten. Ah, daar hing een sticker: start de auto door m van de handrem te halen. Dat bleek een stang die je dwars onder het dashboard moet duwen. Dat is alles. Daarna stuif je direct naar voren als je het gaspedaal indrukt, ontdekte ik in de drukke uitgaansstraat. Dat ging gelukkig goed.

Dat gaspedaal zit op een beetje vreemde plek. Ergens in het midden. Alsof de passagier ook vrolijk mee kan gassen. En je moet je voet er echt boven houden, anders dan in een auto waar je voet op je hak rust. Een soort yoga-oefening, probeerde ik er een positieve draai aan te geven. Ernaast zit een rempedaal en dat is geen overbodige luxe.  Al merkte ik dat het wagentje minder snel remt dan ik verwachtte. Misschien is dat praktisch want ook al heb je een gordel om, je zit dicht op de voorruit en ik vermoed dat er geen airbag in het dashboard zit.

Rijden dus. De LEV heeft geen schokbrekers, qua comfort voelt dat alsof je op de bagagedrager zit van een fiets met een lekke band. Bonkebonkebonk. Een schokkende ervaring. Maar het meest trof me dit, het is alsof je in een zweefvliegtuig zit. Dat wil zeggen dat je de moord stikt omdat de zon keihard de cockpit binnenschijnt door al dat glas. Nu kan – anders dan bij een zweefvliegtuig – bij de Lev het dakraam open. Maar dat moet je dan weer niet doen tijdens het rijden. Het was gedoe, het sturen vereist echt twee handen en de weg twee ogen, ontdekte ik al doende toen ik ternauwernood langs een paar voetgangers scheerde die een zebra overstaken. De zwaaiende vuist van de man zal ik nooit vergeten. Als u dit leest, sorry ik was aan het innoveren.

Bij het nemen van een bocht moest ik ineens denken aan al die Picnic bezorgwagentjes die in het begin omkieperden. Ik heb geen elandtest gedaan met de LEV. Niet alleen omdat er geen velden of wegen een eland te bekennen viel, het was zondagmiddag, maar gewoon omdat ik het niet durfde.

Ik ben best wat gewend qua autorijden, ben een keer met een tankwagen dwars door het centrum van Parijs gereden om maar een van de minst onveilige voorbeelden te noemen, maar in die LEV voelde ik me toch niet lekker. Alsof  het karretje niet op de weg thuis hoort. Alsof je je met een kleuterskelter in de F1 race op Zandvoort begeeft. Maar dat is misschien wennen. Nu was het uitkijken dat ik niemand schepte en tegelijkertijd ook dat ik zelf niet verpletterd werd door het gewone verkeer.

Ik voelde iedere hobbel, iedere kuil en de wielen leken net zoveel grip op de weg te hebben als een winkelwagentje op een ijsbaan. Eerst had ik nog gedacht dat de wagentjes vooral handig zouden zijn als het regende en de e-scooter, mijn favoriete vervoermiddel, niet aantrekkelijk is maar dat moest ik herzien. Ik zie mezelf niet in de natte duisternis in een LEV door de stad scheuren. Dat is meer iets voor Batman en zijn gepantserde kleding.

Ter hoogte van het Westerpaviljoen had ik het wel gezien en wilde de LEV parkeren. Ho, waar zit de achteruit? Nergens te vinden. Zoeken in de FAQ, ook niks. Dan maar gewoon vooruit geparkeerd. Hopelijk wist de volgende bestuurder wel hoe je er achteruit mee rijdt anders kreeg die m niet uit het parkeervak. Ook sorry.

Ik stapte uit en sloot de auto af met de app. Het voelde eerlijk gezegd een beetje als een bevrijding. Meteen rolde de afrekening in mn inbox. 3 euro 70. Voor een afstand van 700 meter. Dat is inderdaad lef.

Van Jole wees niet zo negatief! Ok, dit realiseerde ik me ook tijdens de ultrakorte testrit: de gewone auto heeft in de stad zijn langste tijd gehad. Ze eisen te veel ruimte op, gedragen zich te asociaal. Hoe meer alternatieve vervoermiddelen er komen, hoe sneller en hoe verder de auto teruggedrongen wordt. Kleine mini-autootjes kunnen daar zeker bij helpen. In die zin is de LEV een welkom alternatief. Maar 45 jaar na de Witkar had ik wel wat meer toekomst verwacht.

Gazelles in de stad

cc-foto: Craig Vershaw

Er klinkt achter me een klap, het soort waarvan je meteen weet dat het iets met een auto is. Het geluid van blik dat een dreun opvangt en indeukt, hard plastic dat breekt. Ik kijk om. Een auto draait op de kruising de hoek om, rijdt een zijstraat in. Heel langzaam, alsof de bestuurder twijfelt over wat er gebeurd is. Een scooter ligt midden op straat, half tegen de grond. De berijder zit er nog op en richt zich omhoog met machine en al. Hij ziet verschrikt om zich heen, ik kijk hem recht aan en verbaas me erover dat zijn blik geen woede of hulpeloosheid uitstraalt. Hij lijkt niet gewond. Nog voor ik op hem af kan lopen scheurt hij vol gas weg, de straat uit. Een stuk plastic van de scooter blijft achter op de stenen.

De auto is gestopt. Ik merk dat ik onwillekeurig partij heb gekozen voor de scooter. In de jungle van het verkeer kies je altijd voor de zwakste. Zoals in een natuurdocumentaire je sympathie uitgaat naar de gazelle en niet naar de cheetah. Maar nu de jongen weggeracet is, als een ontsnapte gazelle die uit zicht verdween, blijft er niemand over om sympathie voor te hebben. 

In de linkerachterkant van de splinternieuw ogende auto zit een forse deuk. Het portier gaat open, een jong meisje stapt uit. 19 jaar schat ik, maar dat zegt niks want ik denk ook altijd dat George Clooney 40 is. Ze trilt van de zenuwen. Ze lijkt een beetje op Famke Louise. Wat is er gebeurd, wil ze weten. Een voorbijganger wijst naar een paal met bovenin een zwarte bol op de hoek van de straat. “Daar hangt een camera, snel, bel de politie dat ze de beelden veilig stellen.” Ik zie de bol, als een ding uit een science-fiction film. Zou er nu iemand naar ons kijken, vraag ik me af.

“Politie?”, vraagt het meisje met twijfelende stem. Haar vriendin is ook uitgestapt. Die trilt niet en lijkt zich vooral af te vragen wat de situatie is. 
Ik wijs naar de achterzijde de auto. “Je hebt wel een deuk.”
Het meisje slaat haar hand voor de mond als ze de schade ziet. “O mijn god, mijn vader…” Ze lijkt meer te schrikken van de gedachte aan haar vader dan van het ongeluk.

“Je had die scooter niet gezien,” zegt haar vriendin in een poging haar gerust te stellen. 
Ik probeer te helpen. “Ja en hij haalde je links in, dat mag niet.”
“Precies,” zegt haar vriendin. Het meisje kijkt me verbaasd aan. Gauw zeg ik: “Of nee, dat mag wel maar daar kun jij niks aan doen.” Welja, maak het nog erger, verwijt ik mezelf de onhandigheid.
“Ik heb geen richting aangegeven,” zegt het meisje.
Verdomme. Ik wil zo graag dat het niet haar schuld is. Dat het niemands schuld is.
“Wat moet ik nou doen? Ik weet niet wat ik moet doen.”
Ja, wat moet ze doen? De auto staat midden op straat, het portier nog open, als een bevroren crime scene.

Het is avond, de winkels zijn net gesloten en het publiek trekt door de straten op weg naar huis of vermaak. Over een half uur begint even verderop de theatervoorstelling waar we naar op weg zijn.

Een fors gebouwde beveiliger op de fiets stopt. “Je had die straat niet in mogen rijden van die kant. Het is eenrichtingverkeer.” Ook dat nog. Daar had ik helemaal niet aan gedacht.
“Niet in mogen rijden? Hoe kan dat?” reageert het meisje vol ongeloof.
Het is ook een rare straat. Halverwege verandert plots de rijrichting. Net bij een drukke voetgangersoversteekplaats. Ik zie er vaker mensen de fout ingaan, denk ik verontschuldigend en verbaas me daar tegelijk over omdat de keren dat ik zoiets zag gebeuren ik steevast de bestuurders vervloekte. Het meisje is veranderd van cheetah in gazelle. Ze is ook net zo rank, als een rietje dat trilt.

“Hier gebeuren heel vaak ongelukken,” zegt de beveiliger. Ook hij wil haar geruststellen. “Ik heb er zelf al vier keer een aanrijding gehad.” Je zou denken dat iemand die de camerabeelden bestudeert het eens moet gaan opvallen dat die plek een magneet is voor het verlies van no claim-korting maar misschien kijkt er niemand naar, registreren ze alles voor het grote niks.

“Ik weet niet wat ik moet doen.” zegt het meisje weer.
“De politie bellen,” antwoordt een omstander. Ik zie de angst op haar gezicht. “Wat moet ik dan zeggen?”
“Zal ik voor je bellen?” bied ik aan.
“Ja, als u dat wilt.”
Klik.
“Meldkamer, waar is het noodgeval?”
Nou noodgeval, schiet het door me heen, dat is wel een beetje overdreven. Maar wie had ik dan moeten bellen? Op de achtergrond hoor ik het rumoer van de meldkamer. Ik denk aan alle noodgevallen die nu moeten wachten omdat ik een bibberend meisje wil helpen.

Ik noem de straathoek. “Een scooter is tegen een auto opgebotst en daarna doorgereden.” Ik geef het signalement, voor zover ik dat heb onthouden. Blauwe helm, zwarte scooter.
“Blauwe helm, zwarte scooter?” vraagt de meldkamer. Ik twijfel ineens en zie in gedachten alle politieagenten speuren naar een zwarte scooter met blauwe helm terwijl het misschien wel een blauwe scooter met zwarte helm was. “Ja, maar dat doet er niet toe. Die auto is beschadigd en de bestuurster is nogal geschrokken en heeft geen idee wat ze moet doen. Dus misschien kunt u iemand sturen?”
“We sturen een wagen er naar toe.”

Opgelucht hang ik op, al heb ik geen idee wat de politie gaat doen. Ineens valt het kwartje. “Die scooter is doorgereden. Dat mag sowieso niet na een ongeluk. En waarschijnlijk was die scooter niet van hem, anders rij je niet weg.” Dat geeft het verhaal een andere wending. De scooterrijder is een roekeloos type, een verdachte. Zij is nu echt een gazelle, ook al had ze geen richting aangegeven, keek ze niet uit en reed ze in een verboden richting door de straat. Ze heeft eigenlijk niets verkeerd gedaan. Een gazelle die fouten maakt, benadeelt alleen zichzelf.

Het meisje is nog in paniek. “Mijn vader…” 
Ik vraag of ze bang voor hem is. “Ja, hij gaat boos worden. Het is zijn auto.”
“Twee maanden oud,” zegt de vriendin.
“Waar is je vader?”
“In het café, denk ik.”
“Zal ik hem bellen?”
Ze knikt en geeft me haar telefoon. Ik hoor cafégeroezemoes en een mannenstem.
“Ik bel namens uw dochter. Ze heeft een aanrijding gehad.”
“Wel godver.”
“U hoeft zich geen zorgen te maken over haar. Er zijn geen gewonden. Er is een scooter tegen uw auto opgereden en daarna weggereden. Er zit wel een flinke deuk in.”
“Wel godver.”
“Uw dochter is erg geschrokken en durfde u niet te bellen, daarom doe ik dat.”
Wat moet ik verder zeggen? Geen idee. Hij is niet gaan schelden.
“Wilt u uw dochter spreken?”
“Ja.”
Ik geef de telefoon. Ze luistert. “Ja maar papa…” Haar gezicht wordt nog bedrukter. “Ja maar papa…” schreeuwt ze nu. Dan houdt het op. Ze kijkt ons aan. “Hij heeft opgehangen.”

“Mijn vader zou niet boos worden,” zegt de vriendin. “Ik heb pas nog een aanrijding gehad met zijn auto. Die reed door maar ik heb de dader weten achterhalen via instagram. Zou je ook niet verwachten.” Ineens heeft iedereen ongelukken gehad. Ik denk aan mijn laatste ongeluk, jaren geleden, dat was ook al zo stom. De vriendin wijst naar de beschadigde wagen. “Die auto is van zijn werk.”
“O maar dan is ie all risk verzekerd. Of wacht, misschien niet als zij er in rijdt?” De vriendin haalt haar schouders op.

De tijd verstrijkt. Het meisje heeft de auto in een parkeervak gezet. De beveiliger vertelt over wat hij meemaakt. Het is onrustig in de stad, antwoordt hij als ik hem vraag of het rustig is. “Ondanks de ramadan. Dus ik hou m’n hart vast voor het Suikerfeest.” Ik wil iets relativerends zeggen maar vraag me af waarom eigenlijk en zwijg. Ik kijk naar de zwarte bol die boven de hoek van de straat hangt als een boos oog. Ziet iemand ons?

Het meisje wordt gebeld. Haar vader. Na twee minuten eindigt het gesprek in geschreeuw. Ze panikeert weer.
“Het is een ongeluk,” zeg ik tegen het meisje. “Jij kunt er niets aan doen. Het is alsof er een boom op je auto is gevallen.” Ze kijkt me aan alsof ze het graag wil geloven maar weet dat dat nog het probleem niet oplost.

Een politiewagen draait langzaam de straat in. Een agent stapt uit. Een krachtige gestalte en een zacht gezicht met een grijs baardje en fonkelende ogen. “Zo, wat is hier aan de hand?” Hij heeft de uitstraling van een coach, van iemand die je direct vertrouwt. Deze man gaat haar helpen, dat is meteen duidelijk. Ik geef snel een samenvatting. “Hier heeft u mijn nummer als u nog iets wilt weten. Wij moeten verder want er begint zo een theatervoorstelling.”
“Ah, moeten jullie naar het theater? Wat lief dan dat jullie bleven.” Het gezicht van het meisje klaart even op. We schudden handen.

De voorstelling gaat over liefde, dood en vertrouwen maar ik kan mijn gedachten er slecht bij houden. Dat arme meisje blijft maar door mijn hoofd rennen. Zo bang voor haar vader.

Ja, iedereen was lief. Dat is wel zo. De meisjes, de beveiliger, de omstanders, de agent. De scooterrijder niet. Maar zelfs dat is niet zeker want ik ken zijn verhaal niet. Misschien ging hij er om een heel andere reden vandoor en zou je hem alsnog lief vinden als je wist hoe het zat. Alleen die vader, als die nou eens wat liever was in plaats van zo boos. Dan was een deuk alleen maar een deuk. Een schadeformulier dat ingevuld moet worden. Dan was er eigenlijk niet zoveel aan de hand geweest, dan waren er geen cheetahs of gazelles. Dan dacht ik niet zo aan dat arme meisje.

Verwoesten is makkelijk

Een paar maanden geleden prees iemand op Twitter een oud boek aan dat tot de meest gekoesterde exemplaren uit zijn boekenkast hoorde. Lost Treasures of Europe, een fotoboek uit 1946 met 427 foto’s van gebouwen en kunstschatten die in de Tweede Wereldoorlog verwoest zijn. Ik aarzelde geen moment en bestelde via een antiquariaatsite een exemplaar dat een paar dagen later in de brievenbus lag. Toen was de impuls die tot de aankoop leidde alweer weggeëbd en ik legde het boek in de kast. Meer iets voor mei, de maand waarin we de verschrikkingen van de oorlog herdenken. Dus nu kwam het uit de kast.

Een gebonden werk met vergeelde pagina’s, een ex libris van de vorige eigenaar en oude foto’s, precies zoals je dat verwacht van een kunstschat.

Het boek is direct na de oorlog gemaakt, samengesteld door Henry Lafarge die meer kunstboeken op zijn naam heeft staan. In de inleiding vertelt hij hoe lastig de klus was. Hij moest vanuit de VS een overzicht zien te krijgen van de kolossale oorlogsschade in Europa en dan ook nog met foto’s. Dat bleek veelal onmogelijk. De directeur van het museum in Hamburg die hij aanschreef antwoordde hem graag te willen helpen maar daar helaas niet toe in staat te zijn. “Zelfs de kleinste dingen zijn onmogelijk. Als Duitser mag ik geen foto’s naar Amerika verzenden.” Als de directeur überhaupt nog foto’s had gehad want die waren zoals zoveel verloren gegaan bij de bombardementen. “Ik zie dat u geen idee heeft van de toestand hier.”

De toestand. We denken bij oorlog – terecht – aan menselijk leed maar er wordt ook immens veel vernietigd. Ik woon in een stad waarvan het hele centrum is weggevaagd. Ik realiseerde me de enormiteit daarvan pas toen mijn vader me eens vertelde dat hij een paar jaar na de oorlog op het Centraal Station arriveerde en vandaar de Maasbruggen en de rivier zag liggen. Daartussen stond vrijwel niets meer overeind. Het hele stadscentrum. Weg. En dat was een bijzonder centrum, weet ik dankzij het boek van Edmondo de Amicis uit 1874. (Dat kun je hier lezen).

In het boek staan wat foto’s van Rotterdam. De Laurenskerk natuurlijk, de Notre Dame van deze stad, om het zo maar te zeggen. Het enige gebouw in de stad dat stamt uit de Middeleeuwen. De bouw begon 570 jaar geleden, in 1449. Compleet verwoest.

Op 14 mei 1940 bombardeerde de Duitse Luftwaffe het centrum met brandbommen. Het was een zinloze geweldsdaad omdat Nederland een half uur daarvoor gevolg had gegeven aan het Duitse ultimatum en bereid was te capituleren. Of het bombardement per ongeluk toch doorging of dat het expres werd uitgevoerd om andere steden te intimideren tot overgave, is onderwerp van discussie. Er is nooit een proces over gevoerd omdat de geallieerden bevreesd waren dat het aanmerken als oorlogsmisdaad er toe kon leiden dat ook geallieerde wraakbombardementen op Duitse steden als Dresden zo gezien konden worden.

In 15 minuten werd de stad die dat jaar haar 600-jarig bestaan vierde vernietigd. In het boek staat het bekende beeld van de verwoeste Laurenskerk temidden van een kale vlakte waar eerst huizen, winkels en kantoren stonden. Een foto in het boek laat het Steiger zien, niet ver van de Laurenskerk. Toevallig maakte ik daar dit weekend ook een foto, bij het Hang. Behalve het water, de rivier de Rotte waar de stad haar naam aan dankt, is er niets meer hetzelfde.

Het was overigens niet het enige bombardement. Er volgden er nog vele, vaak van geallieerden die Duitse doelen moesten vernietigen, vaak ook per ongeluk. Gemiddeld vond er gedurendende vijf jaar die de oorlog duurde iedere vijf dagen een bombardement op de stad plaats. Er zijn daarbij meer slachtoffers gevallen dan bij het Duitse bombardement.

De Laurenskerk is herbouwd. Dat geldt voor veel Nederlandse gebouwen die in het boek staan, iets wat ik me nooit zo gerealiseerd heb. Bij het woord wederopbouw dacht ik als Rotterdammer nooit aan monumenten maar aan nieuwe gebouwen als de Bijenkorf. In Middelburg bijvoorbeeld, een stad waar het centrum ook is weggevaagd, is veel gerestaureerd of herbouwd.

Er schijnt een studie te bestaan naar de verschillen tussen steden die na de oorlog in oude glorie hersteld zijn, zoals Middelburg, en steden die helemaal opnieuw gebouwd zijn, zoals Rotterdam. In de herbouwde steden was de leefbaarheid sneller hersteld. Nieuwe steden hadden daarentegen nog decennia nodig om een nieuw leven te ontwikkelen. Rotterdam is daar een goed voorbeeld van. Pas de laatste jaren heeft de stad echt weer een hart. 15 minuten vernietiging, 70 jaar herstel. Zo zie je maar dat slopen makkelijker is dan opbouwen. Dat geldt niet alleen voor gebouwen en steden maar ook voor instituten, denk aan de Europese Unie.

Henry Lafarge kon het boek samenstellen met behulp van Europese vluchtelingen die naar de VS waren getrokken. Zij hadden foto’s en verhalen.

Oorlogsleed is geen wedstrijdje in erg maar ik werd bij het naspeuren van enkele Nederlandse foto’s wel zeer getroffen door het verhaal van het stadhuis in Heusden, een vestingstadje in Noord-Brabant. Daar stond het mooiste stadhuis van het land, gebouwd in 1461. In november 1944 vonden er rond de bezette stad zware gevechten plaats. De bewoners zochten zoals gebruikelijk dekking in de kelder van het stadhuis. Daarop besloten de Duitsers de toren op te blazen. Het gevolg was dat het hele gebouw instortte. 134 inwoners kwamen daarbij om, tien procent van de totale bevolking. Vier uur later namen Schotse en Poolse bevrijders de stad in. Het stadhuis is nooit herbouwd en daarmee een Lost treasure of Europe.

Europa, het continent dat veel moois voortbracht maar ook als geen ander in staat is zichzelf te vernietigen.

Niks weten


Ik liep met vriend G. door de stad. G. is iemand die alles weet en iedereen kent. Dit zeg ik zonder overdrijven. Toen we later op een terrasje plaatsnamen en ik me weer probeerde te bezatten met 0,0 bier – dat gaat me ooit lukken, ik kan immers ook high worden van poffertjes – werd ons gesprek voortdurend onderbroken door passanten die hem kwamen begroeten. Een boks, een handdruk, een klap op de schouder of, in het geval van vrouwen een, twee, drie wangkussen. 

Drie. Laatst liep ik ook over straat – ja, ik haal echt alles uit het leven – en passeerde ik vier mensen die kennelijk van elders waren en elkaar kussend begroetten of afscheid namen. “Drie keer, we zijn nu Nederlanders”, zei de een met een mooi buitenlands accent tegen de anderen. Ze lachten al hun tanden bloot. Drie zoenen, er zijn slechtere vormen van nationalisme denkbaar.

Maar goed, daar zat ik dus met G. en de serveerster die hem ook al met drie zoenen had begroet, kwam het flesje 0.0 brengen. Ik vind het een mooie benaming, al spreek je het uit als nul punt nul op z’n Engels in plaats van nul komma nul, maar gek genoeg wel weer in het Nederlands. Ik zou niet eens weten hoe je het op z’n Engels uitspreekt. Zero point zero? Nil dot nil? Het is ook zo mooi overbodig, die als punt vermomde komma met die nul er achter. Ik bedoel hoezo die tweede nul, het is immers gewoon nul? Maar dat durft de brouwer niet te zeggen want dan zie je het probleem: Heineken Zero. Je denkt gelijk dat het cola is. Of misschien heeft Coca Cola zonder dat we het weten wel patent genomen op de zero. Ik dwaal weer af.

Ik liep dus met G. door de stad, nog voordat we op een terrasje plaatsnamen waar de halve stad hem kwam begroeten. We passeerden een café dat zo verscholen lag dat het me nooit eerder was opgevallen. En ik was kennelijk niet de enige want de tent was compleet verlaten. “Kijk nou”, zei ik spottend in een poging de cameraderiesfeer te scheppen waar mannen aan hechten als ze samen optrekken, “ben je daar wel eens binnen geweest?” Terwijl ik bij mezelf dacht never nooit niet.

Ik had het natuurlijk kunnen weten. “Jazeker. Heel bijzonder. Dit is echt een prachttent. De eigenaar verkoopt koffie langs de marktkramen, dat is eigenlijk zijn business.” Voor de gevel stonden inderdaad van die grote glimmende koffieketels op straat, klaar om schoongemaakt te worden. Er kwam iemand naar buiten lopen die G. begroette alsof het een familielid was dat hij na 40 jaar weer zag. Een kort praatje en weer verder. Dat is het knappe aan G., hij kan gesprekken voeren die niet langer dan anderhalve minuut duren en toch voelen alsof het een echt gesprek is. Ik daarentegen weet of durf in dat soort gevallen niets te zeggen. Alles wat ik bedenk is stom en ik heb mezelf verboden om over het weer te beginnen omdat ik dat zelfs vaak nog verpest.
“Koud hè?”
“Nou nee, er is voor vanmiddag 23 graden voorspeld.”
En als ik wel wat durf te zeggen dan ben ik niet meer te stoppen en ratel ik overmoedig door tot mensen zich na een kwartier ongemakkelijk uit de voeten maken. 

Dus het was een bijzondere zaak, die tent waarvan ik dacht dat het de meest mislukte horecagelegenheid van Rotterdam is. “Weet je,” zei G. “dat dit de zaak is met de hoogste omzet Jägermeister van heel Nederland? Echt waar.” Natuurlijk wist ik dat niet, hoe zou ik dat moeten weten? Ik zag dat op alle tafeltjes op het terras het Jägermeister-logo prijkte, het hert met een Hubertus-kruis tussen zijn gewei. Ik moest denken aan het Hubertus-slot op de Hoge Veluwe waar ik ooit een rondleiding kreeg die ik iedereen kan aanraden. De gids vertelde smakelijke details over de ruzies tussen Hélène Kröller-Müller en de architecten, gevechten op leven en dood over de kleinste details. Normaal gesproken zou ik daar nu tegen G. over zijn gaan uitwijden, zoals mannen altijd maar een enkel haakje nodig hebben om hun encyclopedische kennis over je uit te storten, maar ik was nog te zeer verward door zijn opmerking en kon niet meer bedenken waar die ruzies ook alweer over gingen. “Jägermeister? Maar er is toch niemand die dat drinkt?” Hij keek me aan en knipoogde. “Iedere horecazaak heeft het in huis.”

Verdomd. Dat is waar. Het staat altijd overal. Maar ik heb nog nooit iemand een Jägermeister horen bestellen. Sterker nog, ik heb zelfs nog nooit iemand het zien drinken. Op soms een alcoholist op straat na. Onmiddellijk werd ik overvallen door een tsunami aan onzekerheid. Misschien was ik wel de enige die onbekend is met de geneugten van Jägermeister. Misschien was het sinds kort wel de hipste drank aller tijden. Misschien zei daarom nooit iemand iets tegen me op feestjes en avonden uit: omdat ik een Jägermeister nono ben.

Ik weet niet eens of ik eigenlijk wel Jägermeister kan drinken, als bewust vegetariër. Zal je net zien, koop je een fles, blijken het de grote sponsors van de jachtindustrie. Hoe kom ik daarachter? Wacht, moet ik dat wel weten? Wanneer wil ik dan Jägermeister gaan drinken? Lijkt me iets dat kan wachten tot het bejaardenhuis.

Een wijs man zei ooit dat hoe meer je weet hoe meer je je bewust wordt van het feit dat je weinig weet. Dat werd weer even bewezen. Nee, natuurlijk weet ik niet meer wie dat gezegd heeft. Ik zou het kunnen Googlen. Ja, en dan? Ga ik het dan onthouden? Kleine kans. Waarom zou ik het onthouden? Google weet het toch? Net als dat ik geen telefoonnummers meer weet. Verdomd. Had ik niet altijd beweerd dat de kennissamenleving zou bestaan uit mensen die niks weten? Nooit gedacht dat ik daar zelf bij zou gaan horen. Ik vroeg me ineens af hoe het straks moet als niemand überhaupt nog iets weet. Gaan we dan massaal op verjaardagen wanhopig zitten Googlen om gespreksonderwerpen te vinden? Ik wilde er iets over tegen G. zeggen maar die liep net weer een bekende tegen het lijf.

Dat van die Jägermeister moest ik in ieder geval onthouden. Voor als er een stilte valt op de volgende verjaardag. “Ik weet een café in Rotterdam…” Verdorie, hoe heette het ook alweer?