Categoriearchief: Taal

Ze gebruiken te vaak we

Op Twitter deelde Roos Vonk een ingezonden brief waarin een pleidooi werd gehouden tegen het gebruik van ‘we’ in journalistieke artikelen. Als bijvoorbeeld in “toch zijn we kwetsbaar”. De tot op het bot geërgerde lezer had er zelfs zijn abonnement op De Correspondent, waar ze graag ‘we’ schrijven, voor opgezegd.

Wat is er mis met we? “Is deze generatie zo door zichzelf geobsedeerd dat ze de buitenwereld met ‘we’ zijn gaan verwarren?” vraagt de briefschrijver retorisch. De jeugd heeft het weer gedaan. Die onuitputtelijke bron van ergernis verdwijnt nooit.

Je zou natuurlijk kunnen redeneren dat een correspondent niet in ‘we’-termen kan schrijven. Hij of zij is immers ergens waar de lezer niet is, dat is het kenmerk van een correspondent die tussen het eigen publiek en de anderen in staat. Een correspondent in Duitsland die ‘we’ gebruikt, heeft die het over de Duitsers of de Nederlanders? Maar ja, De Corrrespondent is natuurlijk maar gewoon een naam. De Telegraaf krijgt nieuws ook niet in morse binnen. Stop.

We is het nieuwe men, zo wordt in een naschrift op de brief duidelijk gemaakt. Men is in de journalistiek taboe omdat onduidelijk is wie er mee bedoeld wordt. Het is een woord voor kookboeken – men neme – luidt een oude stelregel. Spaarzaamheid is ook geboden voor we, aldus de redactionele reactie op de brief.

Er ontspon zich onder de tweet van Roos Vonk een discussie over het gebruik van we en alternatieven. ‘Mensen’ bijvoorbeeld. Niet ‘we eten te veel vlees’ maar ‘mensen eten te veel vlees’. Wat meteen het probleem laat zien van ‘mensen’. Er zijn immers mensen die dat helemaal niet doen. Kortom, mensen moeten we niet willen.

Wat niet genoemd werd als alternatief is ‘jullie’. Dat werkt heel goed, in de zin dat het laat zien hoe alles dan in je hoofd kantelt. Jullie eten te veel vlees. Jullie kopen geen muziek meer. Helder. Interactief met de lezer, dat is toch wat jullie willen.

Jullie gaan vaak op vakantie. Jullie zijn verslaafd aan smartphones. ‘Jullie’ maakt duidelijk wat ‘we’ ongemerkt doet, je medeverantwoordelijk maken. ‘We’ is de softe versie van ‘jullie’ omdat de auteur zichzelf medeplichtig maakt. Dat maakt alles minder erg. ‘We moeten vaker sporten’. Ja, jij ook al?

Maar jullie werkt natuurlijk niet. Te direct. Te onaangenaam ook.

De Correspondent zou ‘we’ kunnen vervangen door ‘ze’. Je weet wat er dan gebeurt. Duizenden opzeggingen want de krant verandert met die ene woordenwisseling in een soort De Telegraaf. Ze pakken te vaak de auto. Ze leven steeds langer. ‘Ze’ is de lingo van de ontevredenen en afgunstigen.

Zo zie je dat het ene woord – we, jullie of ze – min of meer achteloos bepaalt hoe we over het nieuws en maatschappelijke zaken denken. Weten we dat eigenlijk wel?

Op straat na de kater

Ik slenterde over de Nieuwe Binnenweg, de langste winkelstraat van Rotterdam, waar het opmerkelijk stil was. Deuren gesloten, lege winkels. Het was maandagmiddag. Maar het was ook wat de Engelstaligen the day after noemen. Zij hebben daar kennelijk meer ervaring mee, ik zou althans geen goede Nederlandse variant voor die term weten. Bij ons is alles de volgende dag.

The day after. De vorige dag hing er nog van alles in de lucht, of liever gezegd vooral een feest. De stad werd bevolkt door 100.000 Feyenoord-supporters die allemaal zeker waren van een toekomst die niettemin uitbleef. De stad was op alles voorbereid, had het stadhuis vooraf gezegd. Vast, maar niet op dit. De uren na de wedstrijd die ontaardde in een onvoorziene catastrofe was de stad in verdriet gedrenkt. Overal waar je keek samengeperste lippen en veel staren in het niets. Alsof er een Dolle Dinsdag achter de rug was, maar dan zonder oorlog.

Ineens vielen de namen van de winkels me op. Schorem (het tuig dat zich weer eens niet kon bedwingen). Willens en wetens (ja?). Zien (op de talloze schermen in de stad). De Pil (die geslikt moest worden). Buiten (waar iedereen was). Black Widow (het zwarte tenue van Excelsior). En tenslotte aan het einde van de straat: The Punch.

Alsof er verspreid over de gevels een gedicht over het drama hing en de woorden alleen nog in de juiste volgorde gerijgd moesten worden. Wat me weer eens deed afvragen of gedachten zich schikken naar de werkelijkheid, of juist andersom.

Ik sloeg de hoek om en daar stond een bord met Kater? Koffie!

Het verhaal van de stad ligt op straat.

IJsco’s en meisjes

IJsco, ik gebruik dat woord eigenlijk alleen in samenstellingen. Nooit vraag ik ‘heb je zin in een ijsco?’ maar altijd zeg ik ‘daar heb je een ijscokar’. Gek genoeg heb ik me nooit afgevraagd waar dat woord vandaan komt. Het klinkt door de co een beetje Italiaans en daardoor vermoedde ik dat het daar vandaan kwam. Dat wil zeggen onbewust want als je er een seconde over nadenkt klinkt het te belachelijk voor woorden. Maar dat is wel vaker zo met onbewuste gedachten, als dat al gedachten zijn, het zijn meer vage ideeën, even ongrijpbaar als spiegelingen in een etalageruit.

Ik reed ooit op een ijscokar, een bakfiets met brommermotor. In een zomer die eindeloos zo warm was als het nu vandaag is, verkocht ik als ijscoman in zo’n hagelwit jasje dagelijks schepijs aan het strandje bij de Haringvlietbrug. Bij voorkeur aan de Brabantse zijde want daar waren de meisjes leuker. Dat maakte nerveus. 16 of 17 was ik en staarde naar de gebruiksaanwijzing van het leven alsof die in een vreemde taal was geschreven en ik iedere dag een paar nieuwe woorden begreep.

Toen ik op een vroege avond met de ijsco-kar brommend over een dijk reed, op weg naar een dorp om daar met bel en al een ronde te maken, zag ik een meisje op de fiets me tegemoet komen. Ze passeerde en lachte, wat was ze leuk. Ik draaide onbewust mijn hoofd om, keek haar even na, verloor prompt de macht over het stuur, denderde met ijskar en al de dijk af en belandde in een sloot. Nooit zou ik meer mijn hoofd omdraaien voor een leuk meisje.

Ik moest daar allemaal aan denken toen ik deze 100 jaar oude foto uit het Gemeentearchief op instagramaccount van @rotterdamvantoen zag.


Een ijscokar op de Schermlaan in Rotterdam-West. Ineens zag ik het: ‘ijscompagnie’. IJsco. Dat moest het zijn. Ik spoedde me naar de Van Dale app. Ja hoor. IJsco -> 1926–1950, ver­kor­ting van IJscompagnie, oor­spron­ke­lijk naam voor een be­paald merk.

Kan een of andere ondernemende hipster die compagnie niet opnieuw oprichten? Liefst met karren en al. Voor dagen als deze.

cc-foto: Michelle Brouwer

Woordenschat

Het is het Jaar van het Boek. In het AD trapt minister Jet Bussemaker het feest, evenement, propagandainstrument of hoe je zo’n jaar ook noemt, af. Er zal vast een woord voor bestaan maar ik ken het niet of kan er niet opkomen.

BookBussemaker, die woont in een huis waar overal boeken liggen maar die geen e-reader heeft, legt uit dat ik mijn tekort kan oplossen door meer te lezen. “Mensen die veel lezen, hebben een uitgebreidere woordenschat.” Daar heeft ze vast gelijk in maar door het interview begin ik er toch aan te twijfelen. Zo wordt verteld dat ze voornamelijk leest “voor het slapengaan”. Ik neem aan dat bedoeld wordt voordat ze gaat slapen, wat toch iets anders is dan slapengaan. En dan: “Dat is voor mij de manier om echt helemaal te ontwinden.”

Ontwinden, dat klinkt eerlijk gezegd als een behandelingsmethode voor een petomaan. Het is ook zo’n woord waarvan je de Engelse versie in je hoofd hoort als je het leest. Sommige Nederlanders spreken van unwinden. Het Nederlandse woord is gewoon afwinden, inderdaad het tegenovergestelde van opwinden. Ontwinden doe je alleen met bollen wol en dergelijke, leer ik van de Van Dale app, een kennisverzameling die vroeger een boek was.

Ook grappig: in het hele anderhalve pagina beslaande interview wordt nergens vermeld waar Bussemaker minister van is. Gelukkig voor mensen met weinig parate kennis is Google geen boek.

cc-foto: Michelle Brouwer

Jezelf dwingen

Rennend door het bos kom je veel lopersstelletjes tegen die druk met elkaar in gesprek zijn en in het voorbijgaan vang je dan precies één zin op. Als je geluk hebt zijn dat verhalen op zich. Of mysteries. Deze bijvoorbeeld: “Ik zei tegen hem het is niet erg dat je vreemdgaat maar wel dat je niks van je laat horen.” De plot van een Scandinavische film in een enkele zin.

Ik probeer wel eens dat soort zinnen te onthouden om dan later te zien of je met al die losse opmerkingen als puzzelstukjes een verhaal kunt maken, een mozaïek van de condition humaine (ik moest zelf ook even opzoeken wat daar precies mee bedoeld wordt, het klinkt zo lekker interessant). Maar het lukt nooit, dat onthouden. Tijdens het hardlopen wordt je hoofd leeggemaakt, zeggen de kenners, dus het is een vrij nutteloze oefening om juist dan er iets in te willen stoppen. Dat is als koken tijdens het afwassen.

Ulysses and the Sirens door Herbert Draper (1909)

Ulysses and the Sirens door Herbert Draper (1909)

Hooguit een enkele zin blijft hangen na het rondje, de andere worden weggezweet. Zoals deze van twee vrouwen die me vanochtend tegemoet kwamen rennen. “Maar als je jezelf er toe dwingt dan trek je je er uiteindelijk doorheen,” klonk het toen ze voorbij flitsten. Ik vermoedde dat het over hardlopen ging en niet over bijvoorbeeld een echtscheiding. Hardlopers praten graag over hardlopen en dan het liefst over de techniek. Zoals zendamateurs het liefst over zendmasten praten. Hebben ze met veel moeite contact gelegd met iemand op een eenzame bergtop in Zuid-Amerika, willen ze enkel weten hoe hoog de mast is.

Dat ‘jezelf er toe dwingen’ fascineerde me. Je hoort het vaker, het is de coachingstaal die het denken steeds meer besmet, als schimmel in een vochtige kelder. Het is zogezegd lekker taalgebruik. En wie is er niet dol op lekker? Jezelf er toe dwingen, dat klinkt stoer. Net als jezelf overwinnen, dat klinkt nog beter dan het verslaan van de tegenstander. “David velde Goliath maar hij overwon vooral zichzelf,” zou er in de Bijbel staan als die door een coach geschreven was.

Jezelf dwingen, kan dat eigenlijk wel, vroeg ik me af terwijl ik naarstig probeerde m’n ademhaling onder controle te krijgen. Door de neus inademen en door je mond uit. Of was het andersom? Jezelf dwingen lijkt me per definitie net zo onmogelijk als jezelf wurgen. Je hebt er de kracht niet voor, om met een bekend Nederlands denker te spreken. Het idee van dwang is immers dat er iets op je wordt uitgeoefend waar je geen controle over hebt en over jezelf heb je altijd controle. Tenzij je dat niet meer hebt, als je laveloos bent bijvoorbeeld, maar dan kan van zelfdwang al helemaal geen sprake zijn.

Je kunt natuurlijk wel anderen dwingen jou te dwingen, zoals Odysseus die zich liet vastbinden aan de mast om de lokroep van de Sirenes te kunnen weerstaan. Had hij zichzelf gedwongen? Nee, juist niet. Hij was wel zijn instinct te slim af geweest maar dat is heel wat anders.

Ik keek op mn horloge. 27 minuten, zo ging ik de 5 kilometer niet binnen een half uur halen met al dat gemijmer. Dus ik dwong mezelf even harder te gaan lopen.

Het wrede ‘maar’

In een van de mooiste boeken die ik de afgelopen jaren las, Kom Hier Dat Ik U Kus, schrijft Griet Op de Beeck ergens dit zinnetje:

“Maar” is het ergste woord.

Sindsdien let ik er op en verdomd het is waar. Maar is als de uitgestoken hand die plots wordt teruggetrokken, als het geschenk waar verplichtingen aan blijken te kleven. Maar is een camouflagewoord om iets te zeggen wat eigenlijk niet gezegd kan worden. “Ik ben geen racist maar…” En dan volgt er altijd iets racistisch. Achter ‘maar’ schuilen vaak hele ideologiën die zich niet willen laten verdringen.

Vanochtend zag ik deze kop met ‘maar’. Hier is het gewoon wreed. Een beter leven voor de plofkip wordt er plots een nadeel door.

Waarom staat er niet gewoon ‘en’? In het antwoord op die vraag zit vast een ‘maar’.