Spring naar inhoud

Goed proberen te leven is nog niet zo eenvoudig. Dat merk je als je op social media iets deelt. Ik schreef een stukje over dat ik 12 kilo was afgevallen, waar ik zelf wel tevreden over was, maar ik had buiten de geluksverbranders gerekend. Een vond dat je sowieso niet slank mag zijn als je ouder wordt want dat staat lelijk. Dat was een double whammy: het is niet alleen slecht dat ik ben afgevallen, ik word er ook nog eens lelijker van. Een ander meldde dat hij ook wel eens 15 kilo was afgevallen maar nu 17 kilo zwaarder was. Dus prijs je maar niet gelukkig. Kortom, prettig vooruitzicht.

Dat is het knappe van negatieve comments, ze weten perfect al je onzekerheden op te sporen en aan te wakkeren. Oud, lelijk en straks dikker dan ooit. Ik ben er nog steeds niet achter of dat een bewuste strategie is - met als nog nerveuzer makende conclusie ‘o jee, ik ben transparant, iedereen ziet alles’ - of toeval. Waarschijnlijk dat laatste.

Het extra nare is ook nog eens dat negatieve comments altijd meer impact hebben. Twaalf mensen kunnen vol bewondering constateren dat je iets geweldigs hebt gedaan, de dertiende die roept dat het puur geluk was en niets voorstelt, maakt de meeste indruk. Dat zie je ook wel terug bij mensen die klagen over negatieve comments, soms zijn het er in de praktijk heel weinig en moet je er echt naar zoeken in zee van loftuitingen. Dat wil niet zeggen dat de kutopmerkingen er niet te doen. Juist wel. Dat wijnvlekje op je witte overhemd is meestal ook heel klein maar voldoende om het hele kledingstuk te verpesten.

Ik vraag me wel eens af of de mensen die dergelijke reacties plaatsen, enig idee hebben van wat ze eigenlijk doen. Het is aantrekkelijk om te denken dat het compleet verzuurde types zijn die, gefrustreerd over hun mislukte leven, driftig aan het tikken slaan om als wraak op de wereld en hun eigen bestaan het humeur van anderen te verzieken. Maar dat is denk ik te veel eer. Het is vermoedelijk gewoon lompheid. En dan niet eens bewust.

Sterker nog, waarschijnlijk denken ze zelf je een dienst te bewijzen met hun ‘kritiek’. Het erge is dat dat nog klopt ook. Negatieve comments die echt raken, slaan meestal weliswaar de plank mis op het onderwerp zelf, maar maken je wel bewust van onzekerheden die je anders negeert. In die zin kun je ze ook ten goede aanwent. Als je die onzekerheden kent, kun je er vaak ook wat aan doen. Dan wordt je leven beter en heb je er een volgende keer geen last van.

Zo win je toch nog van de zeurkousen. Al denken die daar zelf vast anders over.

Rennen over het strand, op blote voeten, dat had ik ook nog nooit gedaan. Ja natuurlijk wel sprintjes, hard naar de zee rennen en dan terugdeinzen voor de eerste golf alsof er een stoplicht op rood springt. Maar verder niet. Nu rende ik kilometers.

De eerste honderden meters dacht ik aan scherpe schelpen die door mijn voetzolen zouden dringen. Ik zag de bloederige, pijnlijke resultaten al voor me. Vreemd, want ik heb een enorme hekel aan beelden van bloed en wonden. Ze doen bijna pijn. Om de een of andere reden duiken ze regelmatig op in mijn verbeelding. Terwijl je zou denken dat mijn hersens het nu wel afgeleerd zouden hebben me zo te kwellen, dat de wilskracht die me zover krijgt dat ik kilometers over het strand ren ook wel in staat zou zijn dergelijke beelden te onderdrukken, diep te begraven. Ik moet ze tegenhouden. Ik zie weer mijn voet tussen de spaken van de rijdende fiets komen, ik voel een stuk scherp stuk hout mijn schedel binnendringen, een vinger achterblijven op de deurlijst terwijl de deur dichtslaat. Weg, weg. Ze gaan nooit weg, net zo min als de littekens.

Maar de schelpen snijden niet. Ze voelen als kiezels die meegeven. Het voelt licht, alsof ik minder weeg. De meegevende grond vertraagt, ik ren langzamer dan anders maar het voelt sneller, vrijer. Het idee dat er geen einde is, geen rondje, geen finish. Dat ik almaar door zou kunnen blijven rennen langs de kust, naar Knokke, Calais, Brest, Bordeaux, Bilbao, Santiago de Compostela. Zou iemand daar ooit op pelgrimstocht naar toe zijn gerend? Tweeduizend kilometer? Vast wel. Er zijn lui die iedere dag een marathon rennen. Weer zoiets dat ik nooit zal kunnen.

Als ik ga rennen gebeuren er de eerste tien minuten twee dingen. Mijn lichaam begint al na een minuut te protesteren, doet alsof het zwaar lijdt, als een kind bij de kassa dat geen snoep krijgt probeert het me te overtuigen dat ik rechtsomkeert moet maken. Terug naar de sofa. En mijn geest explodeert. Ik moet mijn administratie nog doen. Heb ik nog wel tomaten in huis voor de spaghetti? Wat als ik straks dood neerval? Op dat feestje zes weken geleden had ik die opmerking niet tegen X moeten maken. Luister ik wel naar de juiste muziek? Hoe ver ga ik lopen? Vijf kilometer? Dat doe ik altijd. Meer? Dan hou ik het misschien niet vol. Na anderhalve, twee kilometer keert de rust terug en ontstaat er een lege helderheid. 

Na 17 minuten langs de vloedlijn keer ik om. Waar vandaan ben ik vertrokken, die huisjes daar in de verte, of nog verder? Ik kijk naar het zand. Hondenpoten, paardenhoeven, kindervoetjes, maar nergens mijn voetzolen. Alsof ik geen sporen heb achtergelaten, alsof ik niet ren maar zweef boven de grond.

Geen sporen. Ik bedenk dat ik voor het eerst in jaren zonder smartfoon ren. Dat het betekent dat niemand weet ik waar ik ben. En met niemand bedoel ik dan niet zij die mij lief zijn maar de mensen achter de schermen van Google, Apple, T-mobile, Nike, TomTom en wie weet hoeveel nog meer. Ze weten altijd precies waar ik ben en ben geweest. Ook binnen gebouwen. Hoe vaak ik naar de wc ga en hoe lang. Hoe lang ik slaap. Ze weten dat ik nu op de bank lig dit op te schrijven. Mijn leven is een fel verlicht appartement zonder gordijnen.

Ze weten zelfs wat ik ga doen voordat ik het gedaan heb. Als ik ‘s ochtends voor het wegrijden de routeplanner open om de verkeersdrukte te checken staat m’n kantoorbestemming al ingevuld. Een soort vooruitgeschreven dagboek. Ze hebben meer zicht op mijn leven dan ikzelf. Facebook weet beter hoe het met je relatie is gesteld dan jijzelf, beweerde ik jaren geleden. Ik begrijp niet waarom ik er toen niet meteen mee gestopt ben. Ik stop met zoveel. Roken, drinken, snoepen, vleeseten.

Nog steeds zie ik nergens mijn eigen voetafdrukken terug in het zand. Alsof ik er nooit geweest ben. Alleen de mensen die ik passeerde weten dat ik hier was. En zij weten niet wie ik ben. Dus dat doet er niet toe. Het voelt enorm vrij. Als ik nu van de aardbodem verdwijn en de politie na lang wachten een onderzoek begint zal een enkeling misschien nog een signalement herkennen. Man, rennend, slechts gekleed in sportbroek. Nu ik er zo over nadenk klinkt dat best bizar. Als het begin van een apocalyptische film. Het is tekenend dat een gevoel van ultieme vrijheid meteen de associatie van een totale ondergang oproept.

Ik probeer me een leven zonder smartfoon voor te stellen. Zonder sporen, een leven als het zand onder mijn voeten dat zich herstelt na iedere stap. We zijn geneigd het leven, de tijd, als een lijn voor te stellen maar misschien zijn het wel korrels, gebeurtenissen die tegen elkaar aanschurken en zich steeds anders vormen. Dataclouds denk ik meteen. Leven in de cloud, luidde het adagium tien jaar terug. Nu is het leven een cloud.

Het lukt niet. Zonder smartphone lijkt er geen leven meer mogelijk. Ik zou niemand meer kennen. Mijn dagen zouden leeg zijn. Hoe zou ik nog iets kunnen weten?

5,5 kilometer zegt het horloge. Ik stop en wandel verder naar waar ik mijn rugzak met al mijn spullen heb achtergelaten. Straks geeft het horloge de gegevens door aan Apple, Google en al die andere datarovers. Hoe lang ik heb gerend en hoe ver. Maar niet waar precies want het horloge doet niet aan plaatsbepaling. Ik stel me het gat in mijn datawolk voor. Een vlek in de verzameling datakorreltjes. Een litteken dat nooit verdwijnt.